zaterdag 3 december 2016

Blog 51 2016 Dubbelzinnige democratie

Onlangs was ik bij een debatavond over de democratie in de Rotterdamse gemeentebibliotheek. De vraagstelling van de beide inleiders was als volgt. Wouter Kurpershoek, ex- correspondent bij de televisie (ondermeer bij Brandpunt), vroeg zich (nog steeds) vertwijfeld af waar de massale onvrede toch vandaan kwam en constateerde dat het discours blijkbaar twee mogelijkheden kende: botsing of vrijblijvendheid. Liesbeth Levy van Lokaal Rotterdam sprak over de code rood van de democratie. Geen woord over het ‘wezen’ van de democratie van de beide inleiders, laat staan over de demos, dat wil zeggen het volk, en dus ook niets over de kwaliteiten en gebreken van de individuele mens. Ik herinner me dat ik ooit met enig naïef en jeugdig enthousiasme mijn vader bestookte met de eis van ‘systeemverandering’. Van die eenzijdige benadering ben ik vrij snel genezen maar het heeft me wel minder optimistisch gemaakt want ik stuitte toen, of ik het wilde of niet, op de onvermijdelijke gebreken van de mens. Van dergelijke twijfels was op deze avond geen sprake behalve een enkele venijnige sneer naar die duivelse populisten. Maar dat was eigenlijk geen twijfel maar eerder een terechtwijzing.

Het debat leidde aan diverse euvels. Allereerst de onuitgesproken ‘linkse’ signatuur van de meeste betrokkenen - werd die maar uitgesproken in plaats van gesuggereerd achter een waas van vanzelfsprekendheid, rede en redelijkheid - die zich uitte in het gebrek aan diepere reflectie over de eigen standpunten en vergezichten. Het tweede euvel is van een andere maar ermee verwante aard. Je merkt waar de eigen standpunten zich diep in de menselijke geest ingegraven hebben, het vrije onbekommerde onderzoek als eerste sneuvelt. Men vraagt niet meer maar men poneert. Men heeft immers gevonden!
Je komt dat ook tegen in Nederlandse praatprogramma’s zoals gisteren nog bij het VARA-programma PAUW waarin het ook over de onvrede en het gebrek aan vertrouwen ging. Het leverde ook daar een zeer algemeen gepraat op dat al weer snel overging in het vertrouwde appel aan ‘de’ burger. Vandaar ook het overigens niet door iedereen gedeelde enthousiasme over de oproep van oud minister van D’66 Jan Terlouw om de aarde goed voor de kinderen achter te laten. Oproepen zat dus. Zelfreflectie des te minder. Ook Wouter Kurpershoek bedreef die zonde door niet alleen slecht te luisteren maar ook door bijvoorbeeld te stellen dat iedereen, ja iedereen, z’n verantwoordelijkheid nemen moest. Een opmerking die meer past bij een prediker dan bij een onderzoeker, bij een mens dus die probeert een probleem in kaart te brengen. Het zijn die twee petten die mensen blijkbaar naar believen opzetten wanneer het hen zo past. Waar Liesbeth Levy nog de aard van het besluitvormings- en inspraakproces benadrukte, kwam Kurpershoek niet verder dan de bekende algemeenheden te debiteren zoals de oproep tot verantwoordelijkheid, zijn oproep tot positief zijn en de eis om de politiek aan de specialisten over te laten. Verder riep hij op hoge toon om bewijzen voor die onvrede, alsof burgers met een secretariaat aan hun zijde leven. En argumenten! Ook hier geen spoor van een reflectie over de status van argumentatie in een conflict. Niets.

In zo’n omgeving degradeert elke analyse tot een verzameling zompige algemeenheden of tot een ampele beschrijving van kleine specifieke aangelegenheden en het ontstane gat wordt verder opgevuld met moreel getinte oproepen of nog meer algemeenheden. Het is een grote reflectieve armoede waar ik telkens weer getuige van ben. Ook de insprekers in de zaal kwamen al niet veel verder dan het plaatsen van ad hoc opmerkingen. Ook die opmerkingen richtten zich op deelproblemen (allemaal ongetwijfeld waar) maar lieten geen enkele poging zien om ‘het beeld’ breder te vatten en ze lieten al even snel een opgewekt optimisme zien vergezeld van een hernieuwd appel. Vernieuwing, jeugd en vooruitgang, dat werk. Ik leer dus helemaal niets van dergelijke bijeenkomsten behalve dan dat ik steeds opnieuw bevestigd wordt in het beeld dat ik al had: het zijn etalages van de eigen voortreffelijkheid en platforms voor publieke instemming. Ik heb dergelijke bijeenkomsten wel meer bezocht in Rotterdam. In de Arminiuskerk bijvoorbeeld. Hetzelfde euvel. Dergelijke bijeenkomsten zijn een ware kwelling voor kritische geesten. Het zijn hoogmissen van het eigen gelijk. Nee, om wat meer te begrijpen van de complexe mensenwereld kun je beter zelf maar wat schrijven en wat van andere mensen lezen die je niet zo bevooroordeeld vind. Dat is voor wat Nederland betreft een ingewikkelde missie aangezien hier moraal en analyse zich uitermate slecht met elkaar verdragen en moraal (het vingertje) veelal het pleit wint. Vandaar dat je hier ook zo vaak op een soort technische manier van praten stuit. En anders is daar altijd wel de verontwaardigde toon van de beter wetenden.  De technische benadering doet het voorkomen alsof er een afgescheiden domein bestaat waarbinnen men eenvoudigweg storende historische feiten kan negeren en daar kan doen alsof alles waardenvrije techniek is: sleutelen aan de samenleving. En dan is het al snel zoiets van ‘Samen de schouders eronder’. Samen, één van de meest gemaltraiteerde woorden binnen deze cultuur.

Voorafgaand aan de debatavond over democratie kocht ik bij een progressieve boekhandel die daar een stand had, het boekje ‘Pleidooi voor populisme’ van de Belgische schrijver David van Reybrouck. Hij maakt zich zorgen over wat hij noemt het duistere populisme dat volgens zijn zeggen uitgaat van het volk als homogeen blok en miskent dat er uiteenlopende belangen en onverzoenbare tegenstellingen in een samenleving zijn. Dat dat met dat volk ook taalproblematische retoriek is, komt blijkbaar niet bij hem op. Nee, ik vermoed dat hij met dergelijke uitspraken blij is want dan kan hij ertegen ageren. Met de Franse politieke denker Claude Lefort stelt hij dat de plaats van de macht leeg behoort te zijn en dat dus het openhouden van de politieke macht de democratische openheid van de samenleving garandeert. Overigens komt ook bij de Franse schrijver Alain Finkielkraut die fundamentele openheid ‘van het democratische gesprek’ in beeld alleen hij begint ermee te zeggen dat het multiculturalisme met zijn sterke links georiënteerde dominantie juist dat open gesprek heeft geblokkeerd. Dat is ook mijn waarneming van de afgelopen decennia, niet in de laatste plaats gezien vanuit het perspectief van al die onvruchtbare gesprekken met aanhangers van immigratie en multiculturalisme. Het is een rubberen muur die je tegenover je hebt. Hierover bij van Reybrouck geen woord. Nee, het kernprobleem van de maatschappelijke onvrede lijkt bij hem vooral gelegen in de meritocratie, ofwel de diplomademocratie, waardoor lageropgeleiden (!) zich niet meer vertegenwoordigd voelen. De politiek en het immense probleem van massa-immigratie lijkt bij hem schrijvenderwijs weggewerkt achter dit veronderstelde onderwijs- en representatietekort; anders gezegd de inhoud verschool zich achter de vorm. Hij lijkt te zeggen dat als de onderwijs- en representatiemogelijkheden nu maar beter worden ook al die problemen die ‘de zich niet vertegenwoordigd voelenden’ aankaarten, wel vanzelf zullen oplossen. Alsof dus die problemen waar de lager opgeleiden tegen te hoop lopen nogal imaginair zijn en waren. Niet voor niets misschien is hij in zijn tekst zeer zuinig met het probleem immigratie.

Hij illustreert zijn verheven standpunt verder nog eens door het genereuze links te onderscheiden van het benepen rechts en hij probeert dus dat verschil te herdefiniëren vanuit de spanning tussen hoog- en laagopgeleiden of zoals je tegenwoordig ook wel hoort tussen theoretisch- en praktisch opgeleiden of zoals je dit ook anders kunt definiëren tussen opleidingen die al dan niet opleiden voor het bekleden van allerlei machtsposities. Kortom, door onderwijs wordt je blijkbaar genereus en door gebrek aan onderwijs of praktisch ingesteld onderwijs wordt je benepen. Hoe eenvoudig kan de wereld zijn. Niets verder natuurlijk over de aard en de grenzen van die generositeit of die benepenheid. Van Reybrouck pleit er aan het eind van zijn geschrift voor om de laagopgeleiden - autochtoon en allochtoon - niet aan dat duistere populisme met zijn rancuneleer over te laten …….. en hen, al zegt hij dat niet met niet zoveel woorden, te laten delen in de geneugten van beter onderwijs en in de zegeningen waar van Reybrouck zoal voor staat.

Het andere boek waar ik hier op wil wijzen komt van een Franse auteur. En wat mij betreft een auteur waar die arrogantie van het beter weten niet zo wortel geschoten heeft zoals bij mensen als van Reybrouck en zovele anderen binnen het Nederlandse taalgebied. Finkielkraut is onder andere schrijver van ‘De ondergang van het denken’ en met de Duitse filosoof Peter Sloterdijk coauteur van ‘De hartslag van de wereld’.

In De ondergang van het denken confronteert AF de universele pretenties met die van de zogenaamde Volksgeist. Het behandelt ook de ‘teloorgang’ van de rede die de samenleving heeft ondergedompeld in een bedompt relativisme, waarachter overigens (oe) bepaalde dominante sentimenten schuilgaan, die bij de betrokkenen doorgaan voor de volstrekte rede, de uiterste rationaliteit en de opperste redelijkheid; bij hen geen verfoeilijke sentimenten. In het boek ‘Dubbelzinnige democratie’ gaat AF het huidige probleem van de democratie te lijf waarin, ondermeer onder druk van multiculturalisme met zijn nadruk op de rechten van de Ander en zijn hang om het racisme op te sporen en te vernietigen, het democratische gesprek nagenoeg onmogelijk is geworden. Vooral omdat antiracisten en multiculturalisten de democratie als voertuig zien op weg naar hun einddoel, een multiculturele en blije egalitaire wereld waarin alle fricties opgelost zijn.

Het zijn denkers en schrijvers als Finkielkraut die mij wat extra lucht geven in dit benauwde zo door geloof aangetaste Nederlandse klimaat waarin moraal de behoedzaamheid van doen en denken in een belangrijk opzicht verdrongen heeft. Dat mij dit al zo vroeg in mijn leven duidelijk werd maakt de onvermijdelijkheid en beklemmendheid van de tragiek alleen maar groter.

02 12 2016


Dubbelzinnige democratie (Alain Finkielkraut)


De val van het universele

Inleiding Ger Groot

Een gelukkige wanorde

AF zag op een gegeven ogenblik dat mensen altijd een afkomst hadden, een geschiedenis en een zekere traagheid die zij niet kunnen verloochenen zonder een deel van zichzelf prijs te geven.
Hij werd bekend met het cultuurkritische essay ‘De ondergang van het denken’ uit 1987. De hele maatschappij dreigt aldus AF te verpuberen in een postmoderne onverschilligheid. De Verlichting is obscuur geworden waarin alles in- en uitwisselbaar is en de rede machteloos staat tegenover de luim en de voorkeur. Ook het multiculturalisme lijdt hieraan en eindigt in een cultuurrelativisme waarin iedere discussie over waarde en vooruitgang verzandt en ook de gedachte aan een waardenhiërarchie verdampt (Achter dat zogenaamde relativisme een verbeten gelijkhebberij; een kleine maar venijnige paradox. oe). Hiertegenover stelt AF zowel de aanspraken van de universaliteit als het gewicht van het verleden. Deze stellingname was problematisch in een land dat nu juist de belichaming leek van het universele en de rede waarin het vroegere afgedankt werd in de naam van de rede, van het Hogere en in naam van de gelijkheid. Dat dit moderne denken zelf de Franse traditie werd behoort tot de paradoxen van het moderne denken.

De mensen hebben een sfeer nodig waarin zij leven zegt AF met Peter Sloterdijk, of ze er nu toevallig in zijn terechtgekomen of niet. Al zijn de mensen niet met huid en haar aan die cultuur overgeleverd, het is juist die ‘culturele gebondenheid’ die een gesprek met een ander pas mogelijk maakt.
Het strikte kosmopolitisme levert echter geen levensvatbare ‘sfeer’ op. Tegenover het gevaar van die universalistische pretentie van de Franse revolutie kreeg dan ook in Duitsland met name de gedachte aan de Volksgeist vorm zoals in de negentiende eeuw bij de filosoof Herder (Een Duitsland dat zwenkt van machtsbelust nationalisme naar een al even dominerend altruïsme. oe). Maar hierbinnen wordt de gedachte aan de menselijke totaliteit teruggebracht tot de totaliteit van een volk en wordt het humane beperkt tot het ‘eigene’. Waar ingeval de Verlichting tussen de mens en de universaliteit van de rede geen bemiddeling bestond, ontbreekt die ook tussen de Volksgeist en de mensheid. (In extremo bezien. oe)

Binnen het postmoderne denken nu is er sprake van een denken waarin hiërarchie en onderscheidende noties het afleggen tegen de individuele smaak en het abstracte egalitarisme van de rechten van de mens.
De cultuur wordt beperkt tot het culturele.
Hoe de cultuur er nu uit zou moeten zien blijft wat onderbelicht bij AF. ‘Niets is zo rampzalig als de illusie van het heldere inzicht’, schrijft AF dan ook. AF dwingt zichzelf dus voortdurend tot een polemiek naar twee zijden. Met ironie en de paradox probeert hij zich de eenzijdigheid van het lijf te houden. Hij verwijt het humanitarisme dat het de vrije teugel biedt aan het sentiment en verzuimt zich in de situatie te verdiepen. De blindheid die de specificiteit van de mens niet meer wil zien omdat zij pretendeert zich uitsluitend voor ‘de’ mens, getransformeerd tot de ‘Ander’, in te zetten, is een ultieme wreedheid. (Dus met voorbijgaan aan de behoeften van gemeenschappen. oe) In dit verband is de beschuldiging van racisme het ultieme criterium van het ongelijk tegenover het zuivere gelijk van de beschuldigers.

Dubbelzinnige democratie. AF

De val van de Berlijnse muur luidde volgens Francois Furet het besef in dat mensen gedwongen werden in een wereld te leven ‘waarin zij werkelijk leefden’. (Gold niet voor het Westen waar men zich in de utopie van de superioriteit waande. oe) Het uiteenvallen van de Sovjet-Unie had ook gevolgen voor de opgekomen radicale politiek die zich nu niet meer voor de excessen van het reëel bestaande socialisme hoefde te verantwoorden.

Met Rousseau wordt het probleem van het kwaad een sociaal en historisch probleem. De bron van het kwaad wordt niet meer in de menselijke natuur gezocht maar in geschiedenis, maatschappij en onderdrukking. Met Rousseau en Marx wordt het probleem ‘mens’ een historisch en oplosbaar probleem. Maar Solzjenitsyn liet al zien dat er tussen ideaal en beproeving een verband bestond. De scheidslijn tussen goed en kwaad loopt dwars door iemands hart. In zekere zin keert hij terug naar de gedachte van de erfzonde.
De ervaringen van de Goelag hebben Solzjenitsyn geleerd dat absolute onderdrukking voortkomt uit de idealistische reductie van de menselijke realiteit tot het probleem van de onderdrukking. Met de val van de muur is deze les echter alweer vergeten. De radicale opvatting van politiek dat alles opgelost kan worden is terug, zeker met de schuldigverklaring van Amerika als de nieuwe onderdrukker. Voor alles kan nu opnieuw een schuldige aangewezen worden, zeker ook waar de technologische ontwikkelingen suggereren dat de mens overal de hand in heeft en dus verantwoordelijk is en schuldig kan zijn als er iets faalt.

Dit radicalisme nu verwart het doel van de democratie met het middel ervan. De einddoelen, zoals de onderdrukking aan de kaak stellen en wegwerken, worden nu het wezen van de democratie zelf. Maar hoe kun je nu democratie voorstellen als een bestel van discussie en tegelijkertijd beperkingen opleggen aan het debat? Dit beschouwt AF als een dubbelzinnigheid van de democratie.
Volgens Alexis de Tocqueville valt tegen de opmars van de democratie niets te doen, maar er zal energie gestoken moeten worden in de opvoeding tot de democratie, het begeesteren van haar ideeën, de disciplinering van haar mores en het controleren van haar daden. (En de kwaliteit van haar daden. oe)

De reguliere progressieve radicalen beweren dat er achter de democratische façade nog steeds een gevecht gaande is tussen onderdrukker en onderdrukte. De andere groep wil het proces radicaliseren. Zij vormen als het ware de representanten van de eenheidspartij van het universele. Zij zijn als geen ander in staat de nieuwe reactionairen aan te wijzen. De maatschappij bestaat voor hen niet uit een pluriformiteit aan stemmen, een conversatie maar is een historisch subject dat stap voor stap bij zijn ware essentie komt: volledige vrijheid en volledige gelijkheid. De Tocqueville heeft dit ‘de generalisatie van de idee van het gelijksoortige’ genoemd. Markering van verschil wordt onmogelijk geacht en uitsluiting dient voorkomen te worden, omdat we immers allen gelijk zijn. De radicale democraat is de verdediger van de lichtheid, die hij opvat als het einddoel van de geschiedenis. Daartoe moeten alle gewichtige en zware tradities verdwijnen. Reactionair is de idee dat het vroegere ego iets te zeggen heeft over het huidige ik.
Hiermee sluiten de verlichten dus de zogenaamde reactionairen uit die niet met hen op de democratische ‘trein’ gesprongen zijn die naar het aangegeven einddoel van gelijkheid en vrijheid rijdt. 
De eerste variant van de radicale politiek vervangt de eigen verantwoordelijkheid voor de oermisdaad, en de tweede variant, de democratische variant, vat de verantwoordelijkheid op als een soort verdoemenis en stelt de idylle ervoor in de plaats, waar het bestaan luchtig en gelukkig is.

Altijd meer dan twee
Gesprek met AF   Ger Groot. 

AF merkte op dat als de mensen overal bij betrokken zijn, er altijd wel een schuldige aan te wijzen is. Hij schurkt aan tegen Heidegger die beangstigd was door een mens die alleen maar omringd was door een door hemzelf aangebrachte wereld waarin niets meer werkelijk ‘gebeurt’. De radicalen komen allerlei contradicties tegen, maar ze ontwaren ze niet. Als je b.v opkomt voor de natuur maar tegelijk voor de mensenrechten bent, dan zul op een gegeven moment moeten concluderen dat het eerste niet altijd zonder een beperking van die laatste gaat. AF zou trouwens liever over de schoonheid van de aarde spreken. Maar het probleem van de moderniteit is de constructivistische omslag in het menselijk denken waardoor iets van zichzelf niet meer de moeite waard is om het te verdedigen. (Zie ook  George Steiner over de onverschilligheid en de haat tegen het nog overgebleven restant van de Hof van Eden in zijn Huizingalezing. oe). Overigens zegt AF dat je niet alle morele eisen in rechten kunt vertalen. Je hebt trouwens ook plichten.

Met Hans Jonas en Levinas is het denken over verantwoordelijkheid verder gekomen. Jonas beklemtoont het probleem van de aandacht. Om aan de dilemma’s die dit oproept te ontkomen kun je alleen denken in termen van mensenrechten of op zoek gaan naar een schuldige. Maar niemand kan zijn eigen verantwoordelijkheid ontlopen. Bij Levinas dwingt de ander mij met zijn gelaat mij tot verantwoordelijkheid. Maar zegt AF, L. sprak niet van de liefde tot de wijsheid maar over de wijsheid van de liefde. Terwijl de Ander een ideologisch icoon geworden is, sprak L. steeds over een situatie waarin men met zijn tweeën is. Binnen die beperking zegt hij dat mijn vrijheid niet het laatste woord heeft, want ‘ik’ ben de wet niet. (Blijft het probleem van het ‘ik’: wat mag het ene ik verwachten van het andere ik en wie begint met iets te verwachten. oe) Maar de Ander is nu ideologisch geladen en de lakmoesproef geworden van de antiracisten om de discrimineerder en uitsluiter ter verantwoording te roepen. Zij zijn de vijand geworden. Alles lijkt nu teruggebracht te worden tot discriminatie en racisme en wordt door een collectieve angst geobsedeerd. En hierin wordt de vijand langzaam maar zeker tot een monster getransformeerd, een monster dat tegen de Ander is. Een ander al eerder aangehaald gevaar is dat terwijl Levinas sprak over de Ander ingeval er sprake was een ‘een aan een’ situatie, het antiracisme ingeval conflicten met meerdere mensen ook slechts spreekt in dualistische termen: de onderdrukker en de onderdrukte, daarmee conclusies uit Levinas’ betoog trekkend die onjuist zijn.

Antisemitisme groeit dankzij de lessen van Auschwitz

Fanatici eigenen zich de democratie toe
Ralf Bodelier

AF: de mantra ‘Nooit meer Auschwitz’ keert zich inmiddels tegen de Joden, nu de antiracisten een nieuwe onderdrukker, namelijk de Joodse staat gevonden hebben, die overigens al snel weer vervangen wordt door ‘de joden’. En de Palestijnen al weer snel door ‘de moslims’. Vooral bij Links en de antiglobalisten, die blijkbaar minder voorkeur hebben voor andere onderdrukten zoals de Tibetanen of de Koerden. Moslims blijken hun favoriete onderdrukten te zijn.

Met name in het progressieve kamp is democratie een proces dat leidt naar een vooraf gegeven uitkomst. En hiermee is, in navolging van Rousseau de politiek het antwoord geworden op de problemen van het kwaad in de wereld. Daarnaast verwijt AF deze groepen en de jongeren ondankbaarheid voor wat er bereikt was.

De verenigde mensheid en haar obstakel

Theo WA de Wit

Binnen de notie van de radicale politiek wordt het oude kwaad als oermysterie vervangen voor een te adresseren en op te lossen probleem. De politiek draait het scenario van de geschiedenis af. Deze politiek denkt er niet aan de vraag wat een goede maatschappij is, open te laten, terwijl deze vraag nu juist de kans was van een democratie. Hier stuitte AF op de dubbelzinnigheid van de democratie die enerzijds een stelsel was waarin het gesprek leidend zou moeten zijn maar anderzijds een universeel proces bleek te zijn dat onstuitbaar in een bepaalde richting moest gaan. AF is vooral alert op de vanzelfsprekendheden van een technocratische en progressief-liberale elite en  hij probeert zichzelf zowel te onttrekken aan de ideeën van de Volksgeist als aan dat zelfgenoegzame. Volgens hem is radicale politiek de metafysische verdwijning van het veelvuldige in het Ene.
In de 20e eeuw zijn we, aldus AF niet zozeer getuige geweest van een regressie als wel van een botsing van twee elementen van het moderne begrip mensheid, te weten de Menselijke waardigheid en de Geschiedenis, die de laatste dus gewonnen heeft. Zowel het nazisme als het stalinisme zijn vooruitgangsideologieën die pogen de evolutie tot haar bestemming te brengen. Bij het stalinisme wordt de historische noodzakelijkheid (Zien we als argument ook bij het immigrationisme en multiculturalisme. oe) als paradepaard voor haar onstuitbare opmars ingezet. Beide ideologieën hadden hun vijanden, zoals de koelakken of de joden. Een ideologie is de weigering recht te doen aan dingen die zich aan onze greep te onttrekken, zoals de ontmoeting, de gebeurtenis of het reeds bestaande en zet ervoor in de plaats een historisch drama voor twee figuren: de mensheid en haar obstakel. De radicale politiek met haar credo van de vervolmaking van de mensheid (En haar zuiverheidsleer. oe) volgt eenzelfde patroon aldus AF. Bij het proces tegen Barbie volgden de ‘verdedigers’ van Barbie eenzelfde weg: de slachtoffers van de nazi’s waren eigenlijk slachtoffers van de misdadige essentie van het Westen. Ook hier waren we getuige van een metafysische transformatie. Zowel de morele als de sentimentele interpretatie van het begrip misdrijf tegen de mensheid zijn vormen van radicale politiek met de belofte van een gelukkige eensgezinde mensheid die het einde van de politiek zal inluiden. Zij reduceert politieke verscheidenheid tot een manicheïstische botsing tussen de broederlijke mensheid en de vijanden van de mensheid, en hier schuilt nu juist het gevaar.

De droom van de radicale politiek is dus dat men zonder de racisten elkaar vindt in een reusachtige (muzikale) omhelzing en dat men zich nog slechts een exclusief morele verdeeldheid kan voorstellen. Er is hier aldus AF sprake van een verontwaardigd humanisme met als motto ‘dit nooit meer’. Wat AF deze antiracisten ook verwijt is hun geborneerdheid en hun neiging tot een hernieuwd antisemitisme als gevolg van hun identificatie van de Ander met het Palestijnse volk. En hiermee vagen zij tegelijkertijd de complexiteit weg van het conflict ten gunste van een eenvoudig moreel basisschema. Iets wat iemand als Martin Walzer niet doet. In zekere zin zitten de radicalen vast aan de geschiedenis zoals die van het nazisme en zetten zij eenvoudige dualismen in: tolerantie versus stigmatisering, solidariteit versus segregatie,
openheid versus etnocentrisme etc. (En de overdrijving zoals de term fort Europa. oe)
Men voelt zichzelf dragers bij uitstek van de partij van het universele die in gevecht is met de vertragers of obstakels van de democratische beweging. Bij hen wordt alles politiek waarbij het mensheidsgevoel het gewonnen heeft van het plaatsgebonden sentiment. Wie hier nog grenzen stelt valt buiten de democratie en is er de vijand van. Maar deze democraat, ongebonden (En gulzig. oe) consument van een wereld zonder grenzen, is zelf vederlicht geworden.  

De conclusie van AF is dat men om niet onmenselijk te worden door slechts in de idylle te geloven, de figuur van de vijand serieus moet nemen. Juist die sprookjesachtige idylle maakt van opponenten monsters die in een demonische vorm nu de vijand van de Ander worden en daarmee de vijand van de mensheid.  Een dergelijke aandacht was al te vinden bij Carl Schmitt, die er op wees dat de onderscheiding vriend en vijand de politieke onderscheiding was waartoe politieke handelingen en motieven herleid kunnen worden. Bij CS is zelfs een vorm van erkenning van de vijand mogelijk, hij is niet perse een onmens. Maar dat verandert volgens hem zodra men gaat strijden in naam van de mensheid waardoor men vervolgens tegen de vijand van de mensheid strijdt. Bij AF zien we een gelijke voorliefde voor de ‘conventionele’ vijand in plaats van de monsters die de voorvechters van de broederlijke mensheid creëren.





dinsdag 22 november 2016

Blog 50 Over en naar aanleiding van het werk van Sjoerd de Vries

In een schemerig hoekje van ons huis hangt een klein  zilvergrijs ingelijst schilderijtje met een al even schemerige voorstelling. Ik houd van schemerige amper door het licht bezochte plekken waar de dingen iets van hun zichtbaarheid prijs moeten geven. Het kleine op houtplaat geschilderde schilderij stelt een landschap uit 1941 voor, het eerste volledige oorlogsjaar en ook nog het geboortejaar van de uit Friesland afkomstige kunstenaar Sjoerd de Vries; een kunstenaar voor wie eerder het stanleymes dan het penseel zijn werktuig was. Het schilderijtje dat ik bezit moet ergens in Drenthe geschilderd zijn, in ieder geval in het oosten van Nederland, waar de vale stilte nog vat krijgen kon op de daar aanwezige oude gronden. Op het schilderijtje is het winter. Het is mij zeer dierbaar, niet alleen omdat het uit het Noordoosten komt of omdat ik maar geen grip krijgen kan op de voorstelling maar ook omdat ik haast tastbaar nog de aanwezigheid van de maker voel, die dat met zijn koude wat onbeholpen handen geschilderd moet hebben. Schilderijen leiden je soms naar de mens die alleen met zichzelf, iets uit zichzelf voortbrengt. Dat wordt te vaak vergeten. Zie hier de mens, zegt een kunstwerk soms. Wie de schilder of schilderes - ik dacht altijd aan een man vanwege zijn vermogen tot het tragische - was laat de uitgesleten signatuur niet zien. Misschien wil ik het ook niet weten. Sommige dingen moet je gewoon niet willen weten. Geheimen horen soms daar waar ze horen. Zelfs in een onttoverde tijd als de hedendaagse waar blijkbaar alles naar de oppervlakte gedreven moet worden. Om daar vervolgens te vervlakken en af te sterven.

Terwijl ik steeds vanuit mijn ooghoeken naar dat schemerige en wat afgebeten schilderijtje kijk, besef ik, dat ik er slechts naar kan kijken met een zelfde onbeholpen poging als waarmee de schilder het gemaakt moet hebben. Hoe kun je ook een logica van een zekere orde begrijpen, aanvoelen, vanuit een andere eraan tegengestelde logica? Luther begreep dit al toen hij zei dat het pas zin had met iemand te praten wanneer deze persoon hetzelfde geloof aanhing. Ook dit, het onder gelijke noemer stellen, is iets dat steeds vaker geprobeerd wordt, nu met de grote gelijkschakeling van ‘van alles en nog wat’. Achter de dwang van het diverse, schuilt de gelijke maat, dat vergeet men maar al te vaak. Op de keper beschouwd kun je iets alleen maar naderbij komen door er de innerlijke logica van (mee) te voelen; door er als het ware op gelijke hoogte mee te komen. Tenminste, als je naderbij wilt komen: dat vooronderstelt deze gedachte toch tenminste. Maar de mens is niet bij machte alles en iedereen op elk moment naderbij te komen. Ook dat zouden wij moeten weten.



De Deelen


Het eerste schilderijtje van Sjoerd de Vries, geboren te Oudehaske, een voormalige grietenij in Friesland waarin de grietman de openbare aanklager was, dat mij onder ogen kwam was een kleine maar langgerekte weergave van de Deelen. In dit gebied, boven het huidige Heerenveen hebben jaren achtereen met zweet beparelde lichamen het bruinige turf ‘gestoken’ en deze turfafgravingen hebben zo langzamerhand het landschap ingrijpend veranderd en in de loop van de tijd is er een mozaïek ontstaan van water, rietkragen, moerasbosjes en kleine graslanden, de oude legakkers waar het opgegraven veen te drogen werd gelegd. Elk land kent zo zijn vergeten menselijke geschiedenissen en wat er overblijft is het uiterlijk gevolg er van. Maar wat ik aanvankelijk bij dat kleine schilderij van De Deelen nog amper zag was de eenvoudige vraag of dit nu naar ‘het motief’ ‘geschilderd’ was of dat Sjoerd de Vries vanuit zijn eigen motieven, zijn eigen handigheden en onhandigheden dat land naar zich toe trok en toch ook gelijk weer van zich af duwde. Want dat laten dit soort werken ook zien: de onmogelijkheid om er vaste voet aan de grond te krijgen.

Daar, in dat werk, zie je dat het grijzige licht die rechtopstaande rietkragen in zijn greep houdt…. en toch ook weer niet. Juist omdat het licht met al zijn diffuse kracht het gehele beeld doordrenkt, is het er een al even onlosmakelijk bestanddeel van geworden en verschijnt en verdwijnt het in alles dat zichtbaar is. Eenzelfde paradoxaal spel ontstaat in onze verbeelding, wanneer we zien, voelen of denken dat hier een kunstenaarshand bij betrokken is geweest is en daardoor laveren wij steeds tussen het illusoire karakter van het beeld en de wetenschap dat het ‘gemaakt’ is. Want dat doet zo’n werk ook: het verzet je in een ongemakkelijke positie waarin noch het een noch het ander prevaleert. Hetzelfde geldt voor waar we de voorstelling kunnen situeren: is ze nu bij ons voor onze ogen, staat ze bij hem op zijn tafel of schildersezel, of bevindt het zich daar, daar in de Deelen. Het beeld, het kijken naar het beeld, bemiddelt tussen al die drie posities. En het beeld dat hangt daar onbeweeglijk en alleen.

zelfportret 2005
zelfportret 1987 















Wie de verschillende zelfportretten van Sjoerd de Vries onder ogen krijgt, valt nog iets op. Steeds vaker laten die portretten zien dat ze … vooral bewerkt zijn. Al dat schijnbaar eindeloos geschuur, geschaaf, geschilder, gesteek, gepeur en gesnij in en op dat gelaagde karton. Welk een verschil met zijn tijd als schaatser waarin hij juist in een zo kort mogelijke tijd bij de finish wilde zijn. Ja, Sjoerd de Vries, was ooit schaatskampioen op de honderd meter sprint. Nu dat zijn ijzers zijn mes geworden zijn, is dat finaal veranderd, nu werd de tijd de grote verliezer. Maar nog iets openbaren al die in gedempte kleuren opgezette portretten. Zelfs binnen het toch al niet zo scherp uitgetekende oeuvre van de Vries, zie je dat zelfs daarbinnen nog een vervaging mogelijk werd met als eindpunt een zelfportret uit 2005 waarin hij weliswaar nog niet helemaal maar toch wel goeddeels in een uitgebleekt noch amper stralend licht opgelost is. Want die vraag heeft hij zich mogelijk ook gesteld: “Moet ik dat licht nu laten stralen of niet?” Maar bovenal voel je de vraag: 'Kan ik mijzelf nog wel weergeven?
Dan vallen die iel getrokken lijnen op. De lijnen die hij eerder gebruikte zijn hier nu zo getrokken alsof ze hem nog amper weten te vangen. De ogen zijn lichte, haast lichtgevende gaten geworden die niets meer zien maar misschien toch ook alles. Een kunstenaar, transformator van al het zichtbare, staat, geconfronteerd met een motief,
 voortdurend voor de keuze, of en hoe hij dat zichtbare zal omvormen ofwel vanuit zijn eigen lichaams- en geestestaal zal benaderen. Ook een kunstenaar wankelt en wijfelt. Althans bij het maken van zijn werk. In dit geval is de vraag geweest of die ogen nu gaten moesten worden of toch nog iets van hun anatomische herkomst moesten laten zien. Maar misschien dat zijn handen deze vraag voor waren geweest; ik weet het niet. Giacometti die zeer op het gezicht gefixeerd was, wist op een gegeven moment haast niet meer hoe hij dat gezicht nu moest zien. Zien werd een kwelling voor hem. Ja, het zien is conflict geworden en bij sommige kunstenaars in het bijzonder.


Want dat is nog zoiets wat mensen licht vergeten: kunstenaars, maken dingen en die dingen staren hen aan, soms tot vervelens toe, en telkens weer stellen zij zich de vraag: wat heb ik in hemelsnaam gedaan en wat zie ik nu. Help mij. Het is niet zo vreemd dat Sjoerd de Vries op een vraag of hij autodidact genoemd  moest worden antwoordde dat hij vooral niet zo genoemd wilde worden maar eerder autistisch.

Nog een vraag die ons bezighouden kan. Wat vertellen kunstwerken als die van Sjoerd de Vries nu over ons en de wereld waarin wij leven? Vertellen zij ons iets over hoe wij behoren te handelen of hoe wij naar die wereld zouden behoren te kijken. ‘Hij was alleen met zichzelf’, is het eerste dat mij aan werken als deze opvalt. En de mens grijpt soms bijna wanhopig naar middelen om iets van zichzelf te laten zien: en trekt zich daarin tegelijk terug. Hij kan niet anders. Maar vertellen ons dergelijke werken iets over wat wij zouden moeten denken of doen? Nauwelijks iets, vermoed ik. Nee, zij zeggen mij niets over welk brood ik morgen kopen zal, zij zeggen mij niets over of ik de wereld nu socialistisch of liberaal moet interpreteren, ze zeggen mij niets of de grenzen nu ‘open’ of ‘gesloten’ zouden moeten worden, ze zeggen niets over mijn denken, ze zeggen mij niets over mijn glimlach van morgen, niets van dit alles. Kunstwerken zoals deze ‘zijn’ op hun best een universum dat in en op zichzelf staat en waartoe ik schijnbaar toegang heb. Ze confronteren mij uiteindelijk met mijn verlatenheid.