maandag 4 december 2017

Blog 58 Het ware, het schone, het goede, het verhevene



Het is de grillige speling van de ironie dat dezelfde verheven termen op uiteenlopende politieke tegenstanders van toepassing kunnen zijn. En dat is ook niet zo vreemd want hier staan geen vreemde elkaar uitsluitende dingen tegenover elkaar maar mensen van vlees, bloed en geest en die delen dezelfde vermogens, vooringenomenheden, denk- of voorstellingsgebreken. Columnist Toine Heijmans doet in de Volkskrant van 17 november een vileine aanval op Thierry Baudet c.s. naar aanleiding van zijn advies om een Parijse tentoonstelling met ware echte kunst te gaan bezoeken. Deze bleek samengesteld te zijn door een zekere Marc Fumeroli, een groot verdediger van het klassieke erfgoed. De door Baudet c.s. verfoeide kunst wordt door hem, zo lees ik, betiteld als wanstaltig, zijnde van een onvervalste lelijkheid, als ‘esthetisch terrorisme’, ontsproten aan een totale chaos, resulterend in een ‘grensverleggende afzichtelijkheid of brutaliteit’. Alleen ware kunsten scheppen schoonheid, volgens hetzelfde jargon. Baudet en de zijnen lijken hier gevangen in de hermeneutische cirkel waarin waarheid schoonheid schept en schoonheid blijkbaar weer de waarheid. Kunnen mensen trouwens ooit uit die cirkel ontsnappen?

Het heeft mij altijd, zij het telkens weer kort, verbaasd dat zelfverklaarde ‘conservatieven’ - J. Heldring had een voorkeur voor de term conservatieve houding wat ik al beter vind omdat we middels een houding de wereld en onszelf tegemoet treden - altijd ook een uitgesproken smaakvoorkeur hebben en die koppelen aan een klassiek ideaal, waarmee overigens niet gezegd is dat elke oude norm daarom alleen al betekenisloos is. Wanneer je Popper’s ‘Open samenleving en zijn vijanden’ leest, dan duikt een zelfde soort spiegeling aan een oud en klassiek ideaal (idee) op bij de door hem uitgebreid besproken filosoof Plato, leerling van Socrates. Plato ziet de maatschappij ‘veranderen’ en meent dat hij moet kiezen tussen de nog prille rumoerige Atheense democratie en de oude vertrouwde op Sparta geïnspireerde orde van de oligarchen. En die orde ziet hij al snel als de ideale orde en dat gaat weer samen met zijn theorie van de ‘idea’ waarin de dagelijkse realiteit een afspiegeling is van de idea in de hogere wereld. Realiteit is dus ‘tweederangs’ en de kunsten met hun drang tot nabootsing staan daar weer onder: nabootsing van nabootsing; de werkelijkheid is de mimesis van de idea en de kunsten zijn de mimesis van de mimesis. Je zou dus kunnen beweren dat ontfiguurlijkte kunst dichter bij die Platoonse idea staan dan figuratieve kunst die het moet hebben van wat de werkelijkheid haar voorschotelt.

Popper poogt in zijn boek de overgang te beschrijven van een tribale samenleving gebaseerd op stabiliteit, groepsrituelen en magie naar een open rationele samenleving waarin de samenleving stapsgewijs (d m v trial and error) ‘verbeterd’ kan worden door met rede begiftigde individuen ingebed in democratische instituties. Nu is het gevaar altijd dat dergelijke pogingen tijdperken en samenlevingsvormen strikt van elkaar te scheiden, om aan dat onderscheid de eigen voorkeuren op te hangen, ertoe leiden dat men bepaalde aspecten over het hoofd ziet zoals het magisch-metafysische karakter van wat als rationaliteit beschouwd wordt of de wel erg simpele gelijkstelling van een oude situatie met ‘de ideale’ situatie. Of je koestert, zoals je ook wel bij Popper ziet, een onwrikbaar geloof in een lineaire ontwikkeling van de menselijke geschiedenis of het menselijk kenvermogen. Een meer cyclische opvatting van diezelfde geschiedenis wordt dan al snel over het hoofd gezien evenals de waarde van oude modellen, die immers voorbij zijn. Hier is weinig plaats voor een sceptische levenshouding zoals bij niemand die zich optimistisch en welgemutst op eenvormige doelen en eenvormige oplossingen richt. Eén van de zaken die men eveneens licht over het hoofd ziet, is het verschil tussen het ‘hoofd van de mensen’ en het ‘uiterlijk vertoon’ van de maatschappijen. Simpel gezegd aan de hand van een voorbeeld van nu: je kunt open grenzen ambiëren vanuit een ‘gesloten’ denk - en wereldbeeld in je hoofd en een haast magisch geloof in de heilzame werking van het vrijelijk heen en weer bewegen van mensen. Duisternis, rationaliteit, rede en magie zijn niet zo zeer aan elkaar tegengestelde begrippen maar zijn allen facetten van het beperkte ken- en voorstellingsvermogen van de mensen die zich een weg banen in de wereld en in zich zelf. Bij al die kenvormen blijft de vraag recht overeind staan hoe zich alles aan de mens openbaart.

Open en gesloten, bewaren en openbreken, inclusiviteit en exclusiviteit, stilstaan en vooruitgaan, mooi en lelijk, donker en licht, goed en kwaad, boven en beneden, individualisme en nationalisme en al dergelijke polaire ‘ideaaltypische’ termen geven de fictieve uiteinden weer van de worsteling van mensen met de wereld die zij scheppen of tegemoet treden, maar minstens zo vaak schuiven dergelijke uiteinden in elkaar want niets laat zich helemaal scheiden; in het ene zit het andere verscholen. Niets sluit perse het andere uit. Begrijpen is concurreren op het vlak van de begrijpelijkheid. Alle termen om het leven te duiden blijven bedachte termen die zich zowel in eerste als laatste instantie niet goed en helder laten definiëren, temeer daar ze ingezet worden in de strijd van de mensen onderling. En hoe kun je wapens gebruiken die niet uit één stuk vervaardigd zijn? De verleiding van simpele  doeltreffendheid is dus groot.
Exclusief refereren aan een ‘voorbije’ gouden periode of het exclusief ‘verwijzen’ naar een of andere toekomstige heilstoestand gaat voorbij aan de bestaande wereld waarin de mensen leven, vol met langs en over elkaar heen buitelende feiten, gebeurtenissen, herinneringen, verwachtingen, onzekerheden, gewoontes, beslissingen en voorkeuren. Maar ook het tekens weer verwijzen naar de actualiteit die tot deze of gene handelwijze noopt, ontaardt al snel in een snobisme waarin heden, verleden en toekomst niet in elkaars perspectief bekeken worden.

Als gevolg van menselijke beslissingen zijn de westerse samenlevingen in de recente tijd veranderd van betrekkelijk stabiele naar instabiele samenlevingen met oude nog functionerende mechanismen; de straatlantaarns doen het nog. Samenlevingen houden zich immers ook nog tot op zekere hoogte op de been door de werkdiscipline die nodig is om brood op de plank te krijgen. Het mag trouwens opvallend genoemd worden hoe sterk mensen, zelfs diegenen die in veranderlijkheid geloven of daarvan hun dogma maken om de door hen zo gewenste immigratie te bepleiten, toch nog blijk geven van een zeker geloof in de betrekkelijke stabiliteit van die samenleving en de instituties die haar schragen. Een analyse van de mogelijke en al gerealiseerde veranderingen als gevolg van de immigratiepolitiek wordt met enige zorgvuldigheid vermeden of ogenblikkelijk politiek of moreel geduid. Begrijpelijk als dit is, want welke boodschapper vertelt nu over de inherente gevaren van zijn heilsboodschap?

Die toegenomen instabiliteit komt niet alleen door de uiterst riskante besluiten om grote aantallen mensen van allerlei snit toe te laten maar ook door de onstuimige ontwikkelingen van de technologie, de spasmen van de economie, het postmodernisme met zijn soms ontwrichtende relativistische kanten, het arrogante zelfgenoegzame individualisme en het mediaspektakel dat haast niets anders doet dan het actuele opkloppen totdat er zoveel lucht in is geblazen dat het voor de argelozen de enige wereld wordt waarin zij leven. Toch is in die maalstroom de weerstand gegroeid, al bedient die zich soms van dezelfde soort mechanismen als die waartegen zij ogenschijnlijk in het geweer komt. Elke cultuur presenteert nu eenmaal een bepaald palet aan mogelijkheden en er zijn maar weinig zelfstandige of onwennige individuen die zich weten te onttrekken aan de gebruikelijke conditioneringen of terminologieën. Het kind staat tegen de vader op zoals de vader tegen zijn vader opstond.

Zo zien we juist in een opengebroken cultuur als de onze een heftig en onverzoenlijk dualisme ontstaan waarin het wezenlijke feit van de polariteit niet begrepen wordt en mensen vluchten naar de ene of de andere zijde, zich bedienend van elkaar uitsluitende kwalificaties die echter veel meer op elkaar betrokken zijn dan menigeen denkt. Tegenstellingen zitten samen in de val.

De huidige ‘progressieve’ verwijzing naar de rede en redelijkheid - die altijd de hunne is - doet in dit verband nogal archaïsch en tegenstrijdig aan. Men wil zijn ware vooronderstellingen of ‘conclusies’ bewaren maar tegelijkertijd doen alsof men ‘open’ staat; het is echter een openheid in de gewenste richting. Aan de andere kant zijn we getuige van een sterkere nadruk dan voorheen van het verlangen naar een identiteitsgevoelige collectiviteit of van een bij uitstek klassieke kunstvoorkeur, al is niet elk verlangen naar het ‘oude’ enkel en alleen op het conto te schrijven van de voor velen bedreigende ontwikkelingen in de westerse naoorlogse periode. Veel opvattingen en sentimenten van mensen leiden een slapend bestaan en worden pas goed wakker als er aan geknaagd wordt. Dit wordt licht vergeten. Niet alles kan zuiver als reactie begrepen worden. Zo werd er ook wel voor gewaarschuwd de Russische beer niet wakker te maken. Het kan van wijsheid getuigen om iets te laten rusten totdat het vanzelf gaart.
Net als het exclusief lonken naar een eenvormige identiteit – als vooruitgeschoven bolwerk tegen de alles openbrekende krachten – vergist men zich aan de conservatieve zijde ook nogal eens door het heil in bepaalde religieuze kringen te zoeken. Dat zijn bepaald geen kringen waar de intellectuele zelfstandigheid van de mens gevierd of verdragen wordt net zo min als overigens bij de ‘kosmopolitische’ zijde waar het verlangen onderdeel te zijn van het goede of van de historisch noodzakelijke loop van de geschiedenis, niet veel anders is. Ook daar heerst de kneveling.

Waar progressieven hun lot in de handen van de altijd maakbare toekomst hebben gelegd, wijzen conservatieven op de oude modellen die volgens hen hun diensten al ruimschoots bewezen hebben. Overigens stelt het gebruik van termen als conservatief of  progressief ons voor problemen. Immers de term is er al voor wij gaan ‘zoeken’. Als mensen echter hun best doen onderscheidende factoren op hun merites te beoordelen en altijd een voorlopigheid in te bouwen in hun voorstellingsvermogen en hun redeneringen, dan is het risico van het gebruik van dergelijke termen betrekkelijk gering. Alles wordt dan als het ware hypothetisch geladen. Elke term wordt dan voorwaardelijk maar nog niet onwerkelijk of vrijelijk inwisselbaar. Het voordeel van de betrekkelijke vaagheid van onderscheidende termen is misschien wel dat zij juist daardoor ruimte bieden om een beeld te vormen zonder dat waar men naar kijkt, al in een wirwar van noten, annotaties en toevoegingen gegoten is. Want wat is een conservatief of een kunstenaar nu eigenlijk? Juist dat gebrek aan begrippelijke invulling geeft ruimte om verder te kijken dan iemands neus lang is. Dat tussenwoordje ‘is’ is echter het offer dat mensen steeds weer brengen aan hun knellende onzekerheid over hoe iets tot hen doordringt. De ongeduidheid van al het zijnde wordt zo onder controle gebracht.



David Bade


Kunstenaars – laten we de verder definiëring even voor wat die nog niet is – kunnen onderscheiden worden van de werken die zij maken. Wat de eerste categorie betreft, het is in beschouwende teksten nogal eens gebruikelijk om niet over kunstenaars te spreken maar over de kunst, het onderscheid omzeilend tussen de werken, de receptie, de makers, het maken, de plek van al deze facetten in de cultuur in ruime zin of elke factor ook waarop men nog niet is gekomen. ‘Kunst’ wordt doorgaans als heilzaam voor een samenleving verklaard en kunstenaars inclusief hun houding worden tot type veralgemeniseerd in plaats als een historische veranderlijke categorie beschouwd die weer uiteenvalt in een veelheid aan individuen. Een voorbeeld van het bewieroken van die vermeende eigenaardige bijzonderheid van kunstenaars en hun kunst is het artikel in de NRC van 25 januari 2017 van Birgit Donker, directeur van het Mondriaanfonds en ex-hoofdredactrice van de NRC, waarin gesteld wordt dat kunstenaars kritische, autonome en onderzoekende vrijdenkers zijn. Zij gaan uit van mogelijkheden en zien in veranderingen juist kansen. Ook hier is weer geen sprake van enige diepere reflectie op bijvoorbeeld het wezen van de kritiek maar wordt die in dit geval automatisch gekoppeld aan het kosmopolitische multiculturele model. Want de kritiek is de goede kritiek volgens dit donkeremaanse wereldbeeld. Laten we ons om maar eens een klein voorbeeld voor de geest te halen, ons voorstellen hoe wij op iemand zullen reageren die ons met een zwaard van het leven wil beroven; dat is immers ook een verandering en die biedt toch ook kansen. Maar in dit artikel zijn geen sporen van enige twijfel aangaande van de veronderstelde juistheid van de gebezigde termen te vinden. Verderop stelt zij dat onze kunst onze identiteit is. Laat de populisten zoiets niet zeggen! Hun werk, orakelt zij verder, is typisch Nederlands en het verbindt. Altijd weer dat toverwoord waarvan we ons hier moeten afvragen hoe zich dat zou verhouden tot het autonome en onderzoekende karakter van al die vrije kunstenaarsgeesten.


erik van lieshout

Als je zo wel eens al die verheven woorden over de kunsten tot je door laat dringen dan moet de gewone burger wel gek zijn om zich hierdoor niet te laten inspireren bij zijn levensvragen en maatschappelijke zorgen. Kunst is de heilsmassage die de geprangde burger nodig heeft. Maar wat zien we als we naar de laatste decennia kijken en de politiek-maatschappelijke positie van kunstenaars tot ons door laten dringen? We zien dan dat westerse kunstenaars in grote getale zijn gaan behoren tot de beweging van het kosmopolitisch georiënteerde multiculturalisme met alle vooringenomenheden en meningen die daarbij horen. Hieruit volgt een agenda en een machtsontplooiing die weinig ruimte laat voor andere stemmen. Begrippen als progressief of beschaving zijn hier onverwoestbare bakens van de juistheid van het wereldbeeld dat men koestert of de voorstellen die men oppert.
Daarop kan en hoort kritiek geuit te worden. Tegelijkertijd zijn het doorgaans mensen die hun vak serieus nemen en proberen er het beste van te maken. En wat hun werk betreft: kun je van hen verlangen altijd en eeuwig te blijven werken volgens een oude volgens sommigen beproefde canon? Dan beweer je dus dat de geschiedenis bij bepaalde punten stopt. Maar je beweert dan tegelijk dat het niet aan individuen is om mogelijkheden te zoeken en geaccepteerd te krijgen die voorbij die gevestigde canon reiken. Zij horen dan blijkbaar trouw de ‘partijlijn’ te volgen al zal het hen vast toegestaan worden hier met minuscule gestes van af te wijken. Maar we dienen goed te begrijpen dat elke ‘vernieuwing’ zich presenteert als een overtreding van de norm, hoe snel die overtreding zelf ook weer de nieuwe norm wordt. Patiënten in ziekenhuizen mogen blij zijn dat het chirurgijnsgilde ook niet is blijven steken bij de oude aderlatingen of keisnijdingen alhoewel ook in medische kringen dezelfde tegenstelling tussen het oude en het nieuwe of het bewezene en het onbewezene een rol spelen. Vroeger durfde men bijvoorbeeld niet echt in het lichaam te kijken maar ventileerde intussen wel allerlei opvattingen over de inhoud van datzelfde lichaam. Sommigen noemden het een zak met darmen net zoals nu de samenleving wel als een zak met mensen wordt getypeerd. Het idee over God speelde bij de visie op het lichaam een belangrijke rol. Onderzoek naar het lichaam bevond zich lange tijd in de taboesfeer. Dezelfde processen van vermijding spelen ook nu een rol. En morgen weer.

Kun je dus mensen dwingen volgens oude patronen die blijkbaar eenmaal als maat der dingen heilig verklaard zijn, te blijven werken? Je zult hun creativiteit dan net zo moeten kanaliseren als multiculturalisten nu de geesten van hun tegenstanders willen kanaliseren om er het ‘goede’ in te gieten.

De wereld net zoals de mens zelf wordt bepaald door die altijd naast en in elkaar werkzame krachten als het openen en het sluiten, het vroegere, het huidige en het toekomstige, het hier en daar, het stilstaan en het voortbewegen, het oude en het nieuwe of het individuele en het collectief gezamenlijke. Wat als de conservatieve stroming bekend is geraakt, kreeg met iemand als Edmund Burke een nieuwe impuls toen hij stelde dat het de opgave van de mens was oog te hebben voor het oude wanneer hij in het heden het toekomstige voorbereidde. Ik heb een dergelijk appel altijd willen begrijpen als een voortdurende en een zich steeds hernieuwende aansporing om tijdsgebonden krachten te onderzoeken in plaats van zich blind te staren op een of andere oude orde dan wel zich te vergalopperen aan onbezonnen dromen voor een nieuwe orde. Elke ‘vernieuwing’ doet zich immers al snel voor als oud en eerbiedwaardig en wil zich vestigen. Bevestiging zoeken is eigen aan de mens. Vandaar ook de verleiding bij sommige conservatieven om hun ideeën op de oude vertrouwde leest te schoeien als het om inrichting van de maatschappij of om de kunsten gaat. Net als bij Plato, al beschouwde hij de kunsten op grond van zijn theorie over de werkelijkheid en de idea als in feite tweederangs want ze was slechts nabootsing van de werkelijkheid, zie je bij conservatieven naast een bezorgdheid om de ontwrichting van het bestaande, een verlangen naar het ‘gefixeerde’ ware, het ‘gefixeerde’ schone en het ‘gefixeerde’ goede. Een zelfde waarheidsverlangen zien we overigens ook terug bij hun tegenstrevers die eveneens appelleren aan de waarheid van hun principes en idealen, alleen richten hun idealen zich op dat wat zij nu en in de nabije toekomst willen bereiken en veel minder op iets dat al bestaat; dat interesseert hen niet zo zeer. Het principe staat hier tegenover de toestand; het principe van de verandering, de ethiek of de waarheid tegenover de weerbarstige eigenaardigheden van de bestaande toestand. Idealiteit tegenover realiteit. De conservatieve reactie van mensen als Burke was gericht tegen de universalistische aanspraken van de Franse revolutie aan het einde van de achttiende eeuw die de maatschappelijke inbedding van mensen over het hoofd dreigde te zien en al snel leidde tot allerlei vormen van scherpslijperij en onderdrukking. Net zoals heden ten dage weer aan de orde is met de verzengende invloed van de multiculturele revolutie.

Maar in plaats van het openhouden van de geest te midden van het autoritaire appel dat van de bevrijde revolutionaire geest uitging, zag je - bijvoorbeeld bij iemand als de Duitse filosoof Gottfried Herder - een terugkeer naar de oude vertrouwde patronen van geborgenheid en hierdoor werd uiteindelijk weer ruim baan gegeven voor de hoogmoedige aanspraken van de openbrekers van bestaande modes en culturen. Nu de conservatieve reactie zich tegen elke prijs begon vast te klampen aan traditionele opvattingen gaf ze de ‘modernisten’ een publicitair wapen in handen om hun ‘hogere’ principes uit te venten zonder dat zij zich rekenschap hoefden te geven van het feit dat ‘het bestaande’ sterke papieren heeft en moet hebben want in het bestaande rust immers alles wat er uit voortkomt, en bovendien tast het nieuwe altijd het bestaande aan wat betekent dat het nieuwe zich dient te verantwoorden. Vooral als die drang naar het nieuwe de levens van anderen dreigt aan te tasten. Misschien dat de geest van de Verlichtingsdenkers de conservatieven maar ten dele verlicht heeft omdat ook zij zich wilden koesteren in iets dat verloren dreigde te gaan. En juist daardoor, ik schreef dit al eerder, hebben ‘modernisten’ zich meer ruimte toegeëigend dan inmiddels als verstandig beschouwd wordt. Want maatschappijomvormers zijn meestal rücksichtlose mensen die van geen voorzichtigheid en kritiek willen weten. En juist zij zijn er bij gebaat het discours gevangen te houden tussen de polen rede en nationalisme. Want dat wordt gesuggereerd door progressieven: zij zijn immers de vertolkers van de rede en de redelijkheid al gaan die vreemd genoeg samen met het onafwendbare, het gewenste of historisch noodzakelijke. Het heeft er dus de schijn van dat de huidige lichting progressieven onverzettelijker en vasthoudender is dan de zogenaamd populistisch nationalisten met hun bijna wanhopige vragen. Wie zijn conserverender?!
Waar de rede een program of doctrine geworden is, verarmt het. Conservatieven - weer moet ik dat woord noemen voordat een uitputtende (!) beschrijving gegeven kan worden - verzetten zich juist tegen dat doctrinaire en de maatschappelijke gevolgen daarvan. Dat zij dan juist zoals dat bij hun kunstopvattingen blijkt, zich vastklampen aan een oude gefixeerde praktijk doet hun zaak geen goed en daar zouden we voor moeten vrezen. De aard en wijze van het denken van sommige Verlichtingsfilosofen zouden wat meer vat op hen moeten krijgen om een al te schematische blik te vermijden. Is dat misschien de val waarin de progressieven hen gelokt hebben? Zij hebben immers baat bij een simpele tweedeling.

melanie bonajo


Maar wat valt er nog te zeggen van die kunstenaars die zich al te vanzelfsprekend aangesloten hebben bij een ‘universalisme’ dat zo weinig oog heeft voor bestaande leefpatronen en in feite opteert voor het onbegrensde, in tegenstelling tot de opdracht van de mens die zich nu juist kenmerkt door zich het onbegrensde voor te stellen in een begrensde en vooral bestaande wereld. Doordat multiculturalisten nu juist wel van in feite onbegrensde mogelijkheden uitgaan, scharen zij zich hiermee bij die Amerikanen die die onbegrensde mogelijkheden altijd als hun alfa en omega beschouwd hebben: les extremes se touchent. De menselijke geschiedenis kent wel meer ironische overeenkomsten.

Carry van Bruggen (1881-1932), ondermeer schrijfster van ‘Het huisje aan de sloot’ en ‘Prometheus’, stelde - ik hoop haar woorden hier niet te misbruiken - dat de kunstenaar disponibel diende te zijn. Wat wij bij hedendaagse kunstenaars aantreffen is het inleveren van ‘die’ beschikbaarheid voor het aanhangen van het program van het multiculturalisme en voor de aanvechting de oude samenleving - die nu zo genoemd wordt -  op te offeren voor een ideaal dat met het inwilligen van werkgeversbelangen begonnen is en dat hardnekkig en met alle beschikbare middelen poogt een ‘nieuwe wereld’ te scheppen. Zij hebben zich de afgelopen periode dus voornamelijk laten kennen als slippendragers van specifieke maatschappijopvattingen en daarmee zijn de vitale vermogens afgestorven om zo onbevangen of kritisch als mogelijk naar zichzelf te kijken en naar wat zich aandient of hen omringt. Nogmaals, dat euvel is op meerdere plaatsen te zien. Wat verandert er wanneer de mensen de ene oogkleppen inruilen voor de andere?


Dan nog een enkele opmerking over de status van het Ware, het Goede, het Schone. Al dergelijke termen hebben iets geografisch. We kunnen ons altijd afvragen waar het Ware is, waar het Schone of waar het Goede. En we kunnen ons afvragen of zo’n gebied met onfeilbare zekerheid is vast te stellen met onze feilbare geestelijke vermogens. En zelfs dat kunnen we ons afvragen. En daarom is dat besef van die feilbaarheid cruciaal. Een pleidooi voor de aarzeling is het enige dat de mens nog rest die bij zichzelf naar binnen gekeken heeft.







woensdag 25 oktober 2017

afo 7776 2017

Al beschouwde ik het concept ‘mens’ al van jongs af aan als hoogst bezwaarlijk, toch ontwikkelde ik al vroeg een paar basisnoties die leidend werden in mijn leven. Ik bezat een levendig gevoel van verantwoordelijkheid voor mijn omgeving die zich schilsgewijs aandiende; ik was mij er van bewust dat er iets als dichtbij en veraf was. Ik bezat al vroeg een haast natuurlijk gevoel van nieuwsgierigheid en verwondering en ik vond het moeilijk iets zo maar op gezag of voor de lieve vrede aan te nemen. Aarzelend begon ik mijn waarneming te scherpen. Ik had eens een vriendin die vond dat ik te veel zag.
Al kwam mijn denken traag op gang, ik zeg wel eens dat mijn bewustzijn zich pas rond mijn vijftigste pas goed tot aanschijn kwam, toch begon ik al vroeg de neiging te ontwikkelen de zaken zo helder als mogelijk voor te stellen. Dat wil zeggen, er kwam langzaam wat tekening in mijn gedachten. Ik wilde noch kon mijn denken laten vertroebelen door vaste voorstellingen. Dergelijke voorstellingen lagen me niet en wat kon ik nog meer doen dan mijn voorkeuren aangeven en deze tegelijk als hypotheses beschouwen die ik aan de anderen kon proberen voor te leggen in de hoop dat zij daar ook op hun manier zorgvuldig mee om zouden kunnen gaan. In plaats dus van iets maar aan te nemen voelde ik me een stuk meer thuis bij wat ik voor een onderzoekende houding hield.
Ik ontwikkelde een sterk gevoel voor waarachtigheid en tegelijk had ik een bepaalde weerzin tegen allerlei vormen van schijnheiligheid, onverschilligheid en gemakzucht. Ik zag ook al vroeg dat de crux van veel problemen tussen de mensen in hun gesprekken te vinden waren.
Ik begon al vroeg te merken dat wat de mensen deden altijd gevolgen had en dat sommige gevolgen weer met elkaar te maken hadden. Door het een kwam het ander en dat in een nooit eindigende keten. Ik begon ook de ingewikkeldheid der dingen te zien en werd gevoelig voor het tegenstrijdige en paradoxale karakter van de gebeurtenissen die aan de mensen kleefden. Je kon mensen nooit zo verstaan als zij aangaven dat zij verstaan moesten worden. Ik liet me dus iets niet zomaar gezeggen en werd gevoelig voor de keerzijde. Ik bezat geen neiging tot extravagantie, eerder voor een zekere soberheid en behoedzaamheid en ik begon in te zien dat er grenzen waren aan wat de mens vermocht.

Op al deze fronten betekende de immigratiepolitiek en de daaropvolgende immigratiekwestie een aanslag op wat ik voor deugdelijk hield. Het betrof niet alleen een bruuske en ingrijpende verandering van de omgeving waarin ik en anderen leefden of de wijze waarop dat gestalte kreeg maar eerst en vooral de manier waarop de menselijke geest deze zaken ‘beheerde’. De negatieve ervaringen op al deze punten hebben mijn functioneren ondanks mij sceptische grondhouding ernstig verzwakt want hoe kon ik me nog om zaken die de gemeenschap betroffen, bekommeren terwijl binnen die gemeenschap het menselijk falen zo domineerde, zodat ik op een gegeven moment niet anders kon dan twijfelen aan elk voorstel om wat dan ook maar te verbeteren.