dinsdag 13 februari 2018

Blog 59 Bezint eer ge begint, een wandeling van Michael Moore naar E. F. Schumacher..

In het begin van 2018 waren er op de Nederlandse televisie twee verwante documentaires te zien. De ene documentaire heette Green Gold. Het groene goud was de palmolie en het probleem de massale verbouw van palmolie die als grondstof moest dienen voor biodiesel. Aan de orde kwam de verdringing van grond voor voedsel door grond voor energie. En als gevolg van de grootschaligheid van de productie met de bijbehorende belangen werden lokale boeren meer en meer verdrongen van hun grond. Daar ging deze documentaire over.

Michael Moore

De tweede documentaire gemaakt door de Amerikaan Michael Moore heette Capitalism – A love story uit 2009. Het begon met de effecten van ontslagen, behandelde een uitwas van het verzekeringswezen waarin door banken levensverzekeringen op werknemers afgesloten werden en het ging vervolgens over de financiële crisis van 2007-2009 die begon met het wankelen van de zekerheden van de afgeleide financiële producten die in de tijd daarvoor in het leven werden geroepen met geen ander doel dan het ‘maken’ van geld. De Amerikanen moesten hun eigen huis hebben was het politieke credo. De als obligaties verpakte en gebundelde hypotheken in het lage marktsegment werden snel minder waard. De onzekerheden over de precieze betrokkenheid van banken zorgde voor een sneeuwbaleffect dat uiteindelijk  het financiële systeem in zijn voegen deed barsten. 
De documentaire ging ook over de macht van de plutocratie waarin de rijksten aan de touwtjes trekken. En ze ging vooral over de dagelijkse gevolgen voor die mensen die weinig meer te bieden hadden dan hun arbeidskracht want kapitaal, grond en macht bezaten ze in onvoldoende mate en het zou trouwens ook niet voorstelbaar zijn wanneer iedere burger deze drie in gelijke mate zou bezitten, al wordt de ideologie van het vrije marktkapitalisme wel door het najagen van deze fictie gedragen.
Waar de eerste documentaire met name de steeds grotere druk van een toenemende wereldbevolking op steeds schaarser wordende grond en grondstoffen aan de orde stelde en de negatieve gevolgen in kaart bracht voor de kleine producenten, liet de documentaire van Michael Moore vooral de funeste bijwerkingen zien van het financiële kapitalisme zoals dat het Amerika van nu beheerst. Ze confronteerde op filmische wijze de hoogdravende woorden van de politici en ‘corporate’ bestuurders met de barre praktijk van velen die aan hen overgeleverd waren. Uitgebreider kwam de 700 miljard dollar aan bod die de Amerikaanse belastingbetaler mocht ophoesten om de banken te redden hoe onduidelijk de precieze besteding van al dat geld ook bleef. Machtspraktijken, hoe versluierd ook, zijn echter van alle tijden en niet enkel verbonden met het financiële kapitalisme. In de oude Sovjet Unie heerste de nomenklatoera en die deed precies hetzelfde, haar macht consolideren en uitbreiden.

Het is dus niet vreemd dat er van tijd tot tijd economen of andere denkers zijn geweest die nadachten over dat probleem van die machtsconcentratie. In de negentiende eeuw droomde Pierre-Joseph Proudhon van een coöperatieve samenleving zonder een regering. Charles Fourrier dacht aan lokale gemeenschappen die uit zo’n 1700 mensen zouden bestaan. Deze gemeenschappen zouden in zogenaamde phalanstères moeten wonen en zij zouden verbonden moeten zijn in een wereldfederatie. 

J K Galbraith

In zijn boek American Capitalism muntte de Amerikaanse econoom Kenneth Galbraith, die adviseur was geweest van president F. D. Roosevelt, het begrip countervailing powers. Deze tegenmachten hadden als doel economisch-politieke machtsposities te neutraliseren en bundeling van macht tegen te gaan. De recente studie van Thomas Piketty laat de opeenhoping zien van grote vermogens die daarmee macht en invloed kunnen uitoefenen. Vooral bij linkse mensen is dit boek populair gezien hun nadruk op financieel-economische factoren en hun vurig verlangen hun eigen gelijk bevestigd te willen zien. 

Karl Popper

In zijn boek De Open Samenleving en zijn vijanden besprak de Oostenrijkse filosoof Karl Popper een samenleving waarin spraak en tegenspraak via een trial and error methode voor een vooruitgang zou zorgen. Het grootste deel van zijn lijvige werk gaat overigens op aan een aanval op de gedachten van denkers als Plato, Aristoteles, Hegel en Karl Marx die met hun historicistische benadering de toekomstige geschiedenis als het ware  op slot te zetten, omdat er niet aan de loop van de geschiedenis te ontkomen viel. We zien die onafwendbaarheid later terug bij de onverzettelijkheid van hen die zich door dergelijke woorden lieten inspireren; zij immers stonden aan de goede kant van de geschiedenis. Ethische vooringenomenheid en analyse schuiven vaak ongemerkt in elkaar. Net als de drang naar macht is het verlangen aan de goede kant te staan nog steeds dominant in de intermenselijke betrekkingen. Beide attitudes leveren antagonismen op van allerlei aard.

Plato
Plato ging in de geschiedenis terug, op zoek naar een oude ideaalstaat - bij hem de Spartaanse samenleving - die eigenlijk alleen maar kon vervallen; Hegel keek de andere kant op en beschouwde de geschiedenis juist als ontvouwing van de absolute Geest. Karl Marx tenslotte, schatplichtig aan Hegel, zag de menselijke geschiedenis als een klassenstrijd die uiteindelijk beslecht zou worden door de overwinning van het proletariaat en de afsterving van de staat. Dat deze noodwendige lotswending best nog wel een handje geholpen kon worden bleek later wel uit het opkomende revisionisme en uit gedachten van iemand als Gramsci die opriep tot een ‘mars door de instituties’ om de hegemonie van de oude heersersklasse te doorbreken. Het marxistische dilemma was de keuze tussen het laten voortwoekeren van de voorspelde Verelendung en de pogingen om iets aan deze toestanden te doen. De sociaal-democratie koos voor de laatste optie.

Karl Marx

Kenmerkend voor het gedachtengoed van Marx en de zijnen was een sterk gevoel van een noodzakelijke en onontkoombare dialectische beweging van de menselijke geschiedenis maar daarnaast hebben de gedachten ook een sterke eschatologische inslag. Waar Plato met enige overdrijving een oertijd zag, zien post-marxisten eerder een eindtijd voor zich. Een zelfde soort schisma tussen ‘voortijd’ en ‘natijd’ zien we tegenwoordig in Europa waar de immigratie, globalisering  en de Europese eenwording de gemoederen sterk verdelen. Popper schreef zijn boek om de scheiding te verduidelijken tussen de magische opvattingen van de op tribale leest geschoeide culturen en de open samenleving waarin juist een levendig en open discours het verloop van de politiek-maatschappelijke aangelegenheden zou moeten bepalen. Vreemd genoeg heeft de opkomende immigratiepolitiek en het erbij behorende multiculturalisme er juist voor gezorgd dat er een nieuw mythisch geloof ontstaan is, namelijk de multi-etnisch-culturele samenleving. Inmiddels heeft die voor een reeks aan spanningen en problemen gezorgd en heeft tevens tot gevolg gehad dat de oude links-rechts tegenstelling die vooral kapitaal en arbeid betrof, door een nieuwe as doorkruist werd, namelijk door één die bepaald werd door burgers die zich bedreigd voelen in hun hele manier van leven en mensen die van ontworteling juist een politiek willen maken. Het zijn nu juist de somewheres (de ergensmensen)  zoals de Engelse schrijver David Goodhart hen noemde, die tegenover de anywheres (de overalmensen) kwamen te staan;  er begon zich dus een scheiding af te tekenen tussen de sedentairen, de gevestigden, en de zogenaamde kosmopolieten die de wereld eerder vanuit een toeristisch of universalistisch oogpunt plegen te zien en de ‘eigen’ gemeenschappen hoogstens als vehikel beschouwen om die doeleinden te realiseren. Er lijkt bij hen dus een instrumentalisering van het gemeenschapsbeeld ontstaan te zijn waartegen de mensen in opstand kwamen die in de veranderde en ontwrichte gemeenschappen moesten zien te overleven en daar ook nog voor moesten betalen. Inmiddels worden zij ook opgezadeld met het schuld- en boetebesef dat zo eigen is aan het Christendom. De immigratiepolitiek en zijn gevolgen hebben zo langzamerhand een religieuze dimensie gekregen. Dit nieuwe conflict heeft tegelijk de positie van kritiek op het kapitalistische bestel verzwakt, niet in de laatste plaats omdat veel autochtone inwoners links niet meer als hun natuurlijke vertegenwoordiger ervaren. Links heeft zichzelf met haar haast bijbelse steun aan de permanente immigratiepolitiek van de mogelijkheid beroofd waarachtige stelselkritiek te leveren omdat haar steun aan een grootschalige immigratie, die ook door bepaalde ondernemers gesteund wordt, haar deelgenoot heeft gemaakt van het vigerende systeem omdat die immigratie dat systeem in feite bevestigt. Immigranten willen trouwens ook niet hier naar toe om een systeem dat er nog niet is; hun kansen zoals zij die zien, liggen bij wat er is en daar hopen zij van te profiteren. We zien hier trouwens een paradox op de loer liggen: immigranten zoeken hun heil bij het bestaande westerse systeem van leven maar hun helpers wijzen dat systeem ten dele weer af. 
De immigratiepolitiek heeft een geheel nieuwe dynamiek met zich mee gebracht waarvan vooralsnog niet te verwachten valt dat dit het besef van het gemeenschappelijke zal versterken en de opgelopen spanningen zal verlichten. We zijn eerder getuige van het tegendeel. Immigratiepolitiek heeft tot splijting geleid. En dat in een tijd waarin de mens gezien de bedreigingen die het steeds massaler bewonen van de aarde met zich mee brengt, juist wel wat gemeenschapszin zou kunnen gebruiken. Tegelijk, zoals hierboven al is gesuggereerd, wordt de druk op het bestaande economische systeem met elke nieuwe mensengolf verder opgevoerd en dat betekent ook oplopende druk op het gebruik van ruimte, milieu, natuur, energie en grondstoffen. Het westen - het consumentistische model - is als een doos waarin een ballon opgesloten zit die steeds een beetje verder opgeblazen wordt. Een bijeffect van deze toenemende grootschaligheid, verwevenheid, groeiend onderling wantrouwen en het ontbreken aan intermediaire dempende mechanismen is de aandrang de samenleving steeds meer in het keurslijf van regels en controle te dwingen. Grotere aan elkaar vreemde opeengehoopte mensenmassa’s gaan op den duur niet samen met een grotere vrijwilligheid. Ook de gemeenschapszin wordt gecompartimenteerd, hoe hard men ook roept om cohesie. Vooralsnog dragen ook de ontwikkelingen op het vlak van de door politici afgedwongen Europese eenwording hier aan bij.

Kortom, de westerse kapitalistische, consumentistische immigratiesamenlevingen komen onder steeds grotere druk te staan. Toch zijn er hier en daar op sommige punten tegenontwikkelingen aan het ontstaan zoals ook de documentaire van Michael Moore laat zien. Ze laat een Amerikaans deuren- ramenbedrijf uit Chicago zien dat door de Bank of America ten dode was opgeschreven maar inmiddels na een staking met een soort arbeiderszelfbestuur verder probeert te gaan. De Bank of America heeft bakzeil gehaald en de werkers schadevergoedingen uitbetaald. Is het geen grondwet van de menselijke geschiedenis; dat het kleine zich op een gegeven moment verzet tegen het grote? Dat het onderdrukte uiteindelijk tegen de overheersing in opstand komt? Al blijft de vraag natuurlijk wie de onderdrukten nu werkelijk zijn? Bestaan er ‘echte’ onderdrukten of moeten we samenlevingen anders benaderen?

E F Schumacher

In 1973 werd het boekje ‘Hou het klein’ van de econoom E. F. Schumacher uitgegeven; een jaar nadat het rapport Grenzen aan de groei van de club van Rome werd uitgebracht. Het rapport legde een verband tussen bevolkingsdruk, economie en milieu. Schumacher ontwikkelde gedachten over een Boeddhistische economie die gebaseerd zou behoren te zijn op het geloof dat arbeid diende om de mens zijn vermogens te laten ontwikkelen. Het was het eerste ‘links-georiënteerde’ boekje dat mede door de toon van het geschrevene nogal warme gevoelens bij me opwekte. Dat is nu niet meer het geval. De linkse leer is te doctrinair en te vanzelfsprekend geworden, trekt daardoor dogmatische types aan en als klap op de vuurpijl heeft de immigratiekwestie de geestelijke en intellectuele eenvormigheid versterkt. 
Bij iemand als Schumacher, die mij een voorzichtig mens leek, al was het vanuit een afstand, had ik dergelijke negatieve gevoelens niet.

Kernprobleem voor Schumacher was dat de moderne mens zich niet meer als een onderdeel van de natuur ervoer maar als een kracht erbuiten. Negentiende-eeuwse ideeën als die waarin hogere manifestaties slechts aanvullingen waren van het materiële levensproces en het positivisme dat beweert dat slechts kennis verkregen kan worden door de methoden van de natuurwetenschappen, hebben daaraan bijgedragen. Ook iemand als de Duitse filosoof Heidegger heeft zich over het vraagstuk van het beschouwelijke versus het instrumentele geborgen. Wie nu zo her en der discussies volgt zal merken dat de instrumentele denkwijze aan invloed heeft gewonnen waardoor centrale ‘metafysische’ vragen het liefst vermeden worden. Overtuigingen zijn er in ruime mate maar ze dienen slechts als onwankelbaar kader om te handelen zoals men toch al wilde en worden nauwelijks nog als vraagstuk gezien. Het opgewonden beroep op de Europese of de nationale waarden en symbolen is ook niet anders te zien dan een krampachtige poging om negatieve ontwikkelingen die in gang gezet zijn, te ontlopen en er iets tegenover te stellen waarvan men hoopt dat ze de uit elkaar geslagen bevolkingsgroepen weer rond een gezamenlijke noemer zal verenigen. We stuiten hier op een voorstellingsfout want waar vanuit het binnenste van een samenleving geen binding meer bestaat zal dat ook daar niet zo maar ineens uit kunnen groeien. Het opleggen van een schijn van gezamenlijkheid zal het kunstmatige slechts versterken. Mensen kunnen slechts iets delen als er eerst iets gedeelds bestaat. Je kunt burgers dus niet blijvend disciplineren met gezamenlijkheid net zo min als met een idee van vrijheid. Er moet bij burgers een idee van gewenstheid en vrijwilligheid bestaan om zich zoiets als een samenleving te willen en te kunnen voorstellen en voorstellen voor institutionele wijzigingen van het politieke of maatschappelijke systeem zijn als zodanig een onvoldoende remedie voor problemen die zich bij de menselijke geest en de samenlevingen hebben ingesleten. En zal dieper gekeken moeten worden en om hier tenminste enige vooruitgang te boeken zal men er zeker niet onderuit kunnen, recht te doen aan diegenen die menen dat hen onrecht aangedaan is. Hiervoor is een stap terug in de tijd en bij zichzelf naar binnen nodig. Al het andere is een lapmiddel.

Een van de gedachten die mij bij herlezing van het boekje opviel, en waarover ik zelf ook al eens heb geschreven, is de idee dat de man (of vrouw) die een verandering wil invoeren, moet aantonen dat er geen schadelijke gevolgen aan verbonden kunnen zijn. De idee gaat er van uit dat elke gedachte, elke daad, gevolgen produceert, gevolgen die men soms niet overziet, maar die wel deel horen uit te maken van het menselijke afwegingsproces.
In dit licht moet ook de volgende stelling van Schumacher bezien worden: ‘Elke activiteit die geen principe van zelfbeperking kent, uit den boze’ zegt hij. 

Edmund Burke
De Engelse politieke denker Edmund Burke schreef rond de Franse revolutie het volgende: ‘A nation is an idea of continuity, which extends in time as in numbers and in space’. Het goede voor een samenleving met andere woorden, hoort bepaald te worden vanuit een studie van de samenleving zelf en niet vanuit a priori speculaties van een individuele denker. Een ‘reasoner’, zelf lid van een samenleving, heeft een corresponderende verantwoordelijkheid en moet van hieruit handelen. Burke stond hier tegenover Paine die de omwenteling van het Engelse politiek systeem beoogde en hierbij uitging van de onvervreemdbare natuurlijke rechten van het individu. Burke beschouwde de samenleving als een soort contract tussen de levenden, de doden en de ongeborenen. Hij zag misschien het lijden van de Franse bevolking onder het monarchale bewind over het hoofd, maar een samenleving zo maar inrichten op basis van een bundel abstracte rechten leek hem zeer onverantwoord. Rechten net zoals plichten bestaan binnen de context van een samenleving en aangezien zelfs de studie van die samenleving ons blijvend voor ongekende raadsels zal stellen, gebiedt het verstand ons tot omzichtigheid want schade is eerder aangericht dan men het beseft.

‘Breng geen schade toe’ zei Socrates ooit.
Er is een theorie te verzinnen waarin elke stap die de mens doet schade aan een ander berokkent. Willen we als mens, zeker in een vollere wereld, geen schade aanrichten dan kunnen we het beste ogenblikkelijk zelfmoord plegen al ontkomt men ook daarmee niet aan deze theorie, tenminste zolang er nog mensen zijn die ons dan vinden. Maar dat wil deze gedachte misschien ook niet zeggen. Zij wil eerder aangeven dat zoiets idealiter de achtergrond van ons handelen zou behoren te zijn. Met andere woorden, Schumacher spreekt in feite over een deugdethiek die aan het handelen vooraf zou moeten gaan. Bezint eer ge begint. Hier echter wringt de schoen. Elke beschaving is bevangen door een atmosfeer die de mensen omringt en in hen doordringt, vaak zonder dat zij het merken en vat op hebben. Hierbinnen handelen, dromen, denken, fantaseren zij.
En al zijn er individuen die vanuit hun eigen kracht inzicht proberen te ontwikkelen over de aard van het menselijk handelen en denken, toch zal door velen dat niet (blijvend) opgebracht kunnen worden en zullen zij eerder meedeinen op de verschillende modes en sentimenten. En sentimenten waarbij de gevolgen van het eigen handelen centraal staan, zijn ofwel niet populair ofwel worden zeer selectief begrepen. De mens brengt een dergelijke gedachtesprong maar in zeer beperkte mate op: hij wil vooruit. Dit bedwelmt de mens. Daarbij komt dat elke verminderde waarneming gepaard gaat met een verminderde waarneming van die verminderde waarneming. Dat verklaart waarom een cultuur al snel de neiging vertoont zich in neergaande lijn te ontwikkelen omdat mensen zich als gevolg van hun geestelijke luiheid zich aan een steeds lager niveau aanpassen. Niets immers ook wordt vanzelf beter. Ook de taal speelt hier een belangrijke rol. Woorden kunnen aan alles geplakt worden waar men dat maar wenst. Men kan een verandering of verslechtering als een vernieuwing of als een kans benoemen en zo blind blijven voor wat er werkelijk plaatsvindt.

Er is nog een probleem bij een cultuurbeschouwing. Ethische vooringenomenheid en nuchtere analyse gaan soms ongemerkt in elkaar over. De mens zit ingeklemd tussen zijn verlangen naar de daad en het denken. Zich iets afvragen staat al snel haaks op het ‘ik doe’ en ‘ik vind’. Daarbij komt nog dat elk stadium de dynamiek vormt naar het volgende stadium toe. In die zin is de ontwikkeling van een beschaving een lot dat zich zelf voortstuwt. Eenzelfde gedachte maar dan in dialectische zin zagen we al bij de Griekse filosoof Heraclites en later bij Hegel en Karl Marx. Het is een gedachte waaraan Popper hoopte te ontsnappen met zijn ‘adviezen’ met betrekking tot wat hij sociale technologie noemde. In feite meende hij dat een samenleving of een beschaving eeuwig te hervormen was. Hij moest daarom wel diepere lagen en krachten in de samenleving ontkennen en een eeuwig vruchtbaar gesprek postuleren waaruit elk magisch besef gesneden was. Een samenleving lijkt voor hem een vorm van technologie. Maar vroeg of laat zal elke verandering stuiten op iets dat zich daartegen verzet.

De plausibele en sympathieke gedachte van Schumacher dat  die mens die iets veranderen wil een verhaal te vertellen heeft, leidt een beetje aan hetzelfde euvel. Er is in ideale zin een samenleving denkbaar waarin een dergelijk advies ter harte genomen zal worden maar het zal eerder uitzondering dan regel zijn en bovendien zal een ‘onwillige samenleving’ die eerst inzake een bepaalde kwestie een tegengestelde route heeft genomen nu de verbeelding op moeten brengen eerst met haar eigen fouten in het reine te komen. We zien in de documentaire van Michael Moore al hoe moeilijk dat is - macht wil zichzelf bevestigen - en we zien het ook aan de recente geschiedenis van de westerse immigratie. Mensen vertonen de neiging hun eenmaal ingenomen positie te willen handhaven en passen hun waarneming daarop aan. Hun verlangen om van hun handelen en opvattingen een mythe te maken, is te groot. En waar mythevorming ontstaat, ontstaan in deze syntactische tijd vreemd genoeg ook pogingen het pleit te beslechten met een beroep op waarden, bewijzen en argumenten. Waar dus alles overladen is met betekenis, belang, en mythe verkeert men in de waan dat er een neutrale ruimte bestaat waarin argumenten zuiver naar hun soortelijk gewicht gemeten kunnen worden, de hele voorafgaande geschiedenis vergetend. De nadruk op argumenten geeft aan hoe abstract de cultuur geworden is, losgezongen van de werkelijkheid behalve van die werkelijkheid die men blijkbaar wil verdedigen. Men heeft dan wel het politiek systeem enigszins gedemocratiseerd maar het denken heeft men ook proberen te democratiseren en dat past niet bij de aard van het denken.
Uit al dergelijke bespiegelingen dringt de conclusie zich op dat adviezen en inzichten pas kunnen landen wanneer men in een cultuur zover is. Misschien moet een cultuur uitzieken, zichzelf ontgiften, voordat ze in een nieuwe fase terecht kan komen. Eerder zal echter een cultuur net zoals een mens eerst tegen dat aan moeten botsen dat zijzelf geproduceerd heeft. Maar ook dan zal een intellectueel-geestelijk leerproces niet op voorhand vast staan. Eerder nog gaat men op de oude voet verder al zal men misschien wel andere schoenen aantrekken. Om verder te komen zal de mens zich moeten zien te beperken.
Ook de tweede stelling van Schumacher dat elke activiteit uit den boze is die het principe van zelfbeperking niet kent, is sympathiek maar ook al geen gemakkelijk lot beschoren. Elke geboorte is zelf al een expansieve daad; de mens strekt zich door middel van zijn kinderen zelf uit naar de toekomst en zegt  ‘hier ben ik, hier zijn mijn kinderen’. Breng mij de mens die zich elke dag een stukje verder inperkt. De moraal van het kapitalistische marktsysteem is op dezelfde leest van de zelfuitbreiding geschoeid. Zelfbeperking bestaat voor de aanjagers niet: het is eten of gegeten worden. Eenzelfde mentaliteit van vermenigvuldiging en vermeerdering heeft zich in de samenleving genesteld. Reclame jaagt de behoeften aan, de media overspoelen de mens met afleiding, de immigratiekwestie gaat uit van dezelfde geest van vermeerdering. Deze mode van de toename wandelt keurig mee met de ontwikkeling van het zelfbeeld van de mens dat zich al haast niet meer van zijn beperkingen bewust is. Verlangen naar materieel gewin en het moderne altruïsme zijn uit hetzelfde hout gesneden. Het idee dat een samenleving een fragiel weefsel is dat een idee van continuïteit belichaamt, bestaat enkel op een kunstmatige manier. Eerst komt wat men zelf wil of belangrijk acht, en daarna pas komt de samenleving of ‘hoe men dat ook noemt’. De oproep van een beweging als de Nederlandse Leeuw die meer autochtone geboorten bepleit is vanuit hun standpunt over de gevolgen van de expansieve immigratiepolitiek begrijpelijk maar tapt uit hetzelfde vaatje als de mentaliteit waartegen zij zich keert. Ook hier zal vrees ik de wal het schip moeten keren. Schumachers zo gewenste dieper inzicht in de ‘metafysiek’ is nog ver weg. 

Langzaam zijn we terechtgekomen in de vertragende gevolgen van de verstikkende vermeerdering die bezit heeft genomen van de mensen. En de vraag is of en hoe andere en betere inzichten kunnen landen temeer daar er een cultuur is ontstaan waarin het relativisme het eigen gelijk ongemerkt op de eigen troon gezet heeft en men niet meer bevattelijk is voor een, ik zou haast willen zeggen, encyclopedische kijk op de loop der gebeurtenissen zoals die zich afgespeeld heeft en zich nog steeds onder onze ogen afspeelt. Want dat is het aloude probleem van de mens, gesteld als die is voor de moeilijkheden van het denken in het licht van de gebeurtenissen die bezit van hem nemen: hoe wordt hij/zij bevattelijk voor inzichten in zijn handelen, zeker wanneer die inzichten niet vanuit hemzelf komen maar van buiten hem. In een cultuur ontstaat een atmosfeer zoals ik eerder schreef. Als we kunnen zeggen dat het gelijke slechts het gelijke herkent dan lijkt ook dit ertoe te leiden dat de mens zijn eigen stappen wel moet vermenigvuldigen. Een zijwaartse sprong lijkt onmogelijk. De mens is slechts ontvankelijk op een wijze zoals die in hem is beschikt al is de aard en soort van beschikking hem niet altijd even duidelijk. Daaruit bestaat de levensweg.

Je bent in zekere zin slechts in staat tot leren als je al iets van leren in je hebt. 

Confucius

Schumacher citeert de Chinese denker Confucius. ‘Wil ik u de zin van kennis leren?’ vraagt hij. ‘Wanneer je iets kent, erkennen dat je het kent, en wanneer je het niet ziet, weten dat je het niet kent, dat is kennis.’ Maar zulks veronderstelt een kennende geest die weet dat een vraag altijd een begin is en nooit een einde. En dat is voor veel mensen teveel gevraagd. Veel discussies die je zo van een afstand of van nabij meemaakt starten juist bij een ‘einde’, een overtuiging of een mening en op een miraculeuze wijze schijnt men te denken dat er zoiets als een gesprek of zelfs een vergelijk ontstaat. Juist de huidige immigratiekwestie ‘leert’ ons hoe moeilijk het is voor mensen om afstand te nemen en met een ‘dood’ oog naar de gebeurtenissen te kijken en al helemaal wanneer zijzelf daar eenmaal een ideologische positie hebben ingenomen. Dit veronderstelt overigens weer dat er mensen kunnen zijn die beter zien, denken of zich betere vragen stellen. Maar juist de relativistische houding - ieder zijn eigen mening - heeft mensen gepositioneerd achter hun weinig onderzoekende geest en de discussie is de aflaat geworden van dat gebrek. Hoe ver verwijderd zijn de oude denkers niet van de alledaagse praktijk die zo door onbevragelijkheid gekenmerkt wordt. Karl Popper met zijn eis van spraak en tegenspraak is niet alleen te optimistisch geweest - we hebben een plicht tot optimisme zei hij -  maar we dienen ons ook af te vragen of dat ‘dialogische’ model wel voldoet. Voldoet voor wat? Wachten op tegenspraak maakt de mensen lui om die zelf te genereren. Discussie is een zelfontsnappingsmodel geworden. Hetzelfde geldt voor de partijendemocratie die burgers heeft opgesloten in hun eigen gedachtenconstructen. Het is veelzeggend dat Popper zelf in de weinige gedachten die hij in zijn boek ‘de Open samenleving en zijn vijanden’ aan zijn methode heeft gewijd, er niet toe gekomen is om de grenzen van zijn eigen voorstellen af te tasten. Iets wat hij elders wel als methode voorstelt. Wat hij gedaan heeft is de andere theorieën aanvallen - in die termen drukt hij zich uit - en daar tegenover zijn eigen reddende ideeën plaatsen. Ook liet hij geen perioden zien waarin er dan blijkbaar wel een bevruchtende dialogische sfeer bestond. De moeilijkheden die Socrates in dit opzicht ondervond, sprak al boekdelen. Openheid is eerder zeldzaam dan populair. Er zijn teveel gesprekken tussen te weinig verbaasden. Schumacher leek mij overigens een man die mij niet met zijn theorieën wilde overweldigen. Niet zomaar citeert hij Confucius (K’oeng-foe-tz’). In ‘De gesprekken, vertaald door Kristofer Schipper, spreekt hij over de zes verwordingen. ‘Houden van medemenselijkheid, maar niet van leren, ontaardt in dommigheid’ en ‘Houden van standvastigheid maar niet van leren, ontaardt in idiotie’ staat er ondermeer geschreven. 
Maar wie is in staat tot leren en hoe herkennen we bij elkaar dat vermogen tot leren? Dat zijn prangende vragen die in elk tijdsgewricht spelen.
 
Aan het eind van zijn boekje somt Schuhmacher een aantal deugden op die als richtsnoer van de mens zouden moeten dienen. Maar ook die zouden overigens niet behoren te worden opgelegd maar op moeten wellen vanuit het innerlijke leven van de mens zoals dat gestalte krijgt binnen een samenleving. In deze kunstmatige tijd is men echter te gemakkelijk gaan denken dat je met een draai aan de knop een verandering kunt bewerkstelligen. Er heeft een elektrificatie van ons voorstellingsvermogen plaatsgevonden.

Schumacher noemt vier kardinale deugden.
De prudentia wijst ons op voorzichtigheid en  bezonnenheid. Schuhmacher plaatst bezonnenheid voor de goede bedoelingen omdat die op zich niet voldoende zijn. Hier komt dus de raad van Confucius om de hoek kijken. Het geldt ook voor andere deugden; zodra er een verabsoluteerd wordt, kwijnen de anderen weg.
Naast de prudentia zijn er de justitia ofwel de rechtvaardigheid en rechtschapenheid, de fortitudo die ons zegt dat wij moedig dienen te zijn, en de temperantia die ons wijst op de matigheid en de zelfbeheersing.
Wat moeten wij nu doen vragen mensen zich af. Schuhmacher zegt dat wij onze innerlijke huishouding op orde moeten brengen en de leiding van dit werk is nog steeds te vinden in de traditionele wijsheid van de mensheid.
Kernvraag is en blijft hoe dit werk ondernomen kan worden in deze overspannen tijd van vermeerdering belast als de mensen zijn door de paradox van gelijkheid (het gelijke dat uitmondt in het ongelijke) en het superieur eigene dat zich in de eerste plaats uit in een gebrek aan onderzoekendheid. Volgens Schuhmacher hangt dit samen met negentiende eeuwse ideeën die het begrip van de hiërarchische orde om iets te begrijpen ontkend hebben. Gevolg hiervan is dat mensen zo langzamerhand geen zijnsniveaus of graden van betekenis (en van begrip-o.e.) meer kunnen onderscheiden zodat de mensen de mogelijkheid niet meer hebben om hun positie goed te bepalen. Wij lijden aan een metafysische ziekte, een ziekte van de overtuigingen. Zoals ik al zei, is achter het masker van de relativistische gelijkheid het staketsel van het eigen gelijk opgetrokken. Velen van ons zijn misschien geen aanbiddende wezens meer, maar vragende wezens evenmin. De verwesterde mens is zijn uitdrukking geworden en tussen de wal en het schip geraakt.












maandag 4 december 2017

Blog 58 Het ware, het schone, het goede, het verhevene



Het is de grillige speling van de ironie dat dezelfde verheven termen op uiteenlopende politieke tegenstanders van toepassing kunnen zijn. En dat is ook niet zo vreemd want hier staan geen vreemde elkaar uitsluitende dingen tegenover elkaar maar mensen van vlees, bloed en geest en die delen dezelfde vermogens, vooringenomenheden, denk- of voorstellingsgebreken. Columnist Toine Heijmans doet in de Volkskrant van 17 november een vileine aanval op Thierry Baudet c.s. naar aanleiding van zijn advies om een Parijse tentoonstelling met ware echte kunst te gaan bezoeken. Deze bleek samengesteld te zijn door een zekere Marc Fumeroli, een groot verdediger van het klassieke erfgoed. De door Baudet c.s. verfoeide kunst wordt door hem, zo lees ik, betiteld als wanstaltig, zijnde van een onvervalste lelijkheid, als ‘esthetisch terrorisme’, ontsproten aan een totale chaos, resulterend in een ‘grensverleggende afzichtelijkheid of brutaliteit’. Alleen ware kunsten scheppen schoonheid, volgens hetzelfde jargon. Baudet en de zijnen lijken hier gevangen in de hermeneutische cirkel waarin waarheid schoonheid schept en schoonheid blijkbaar weer de waarheid. Kunnen mensen trouwens ooit uit die cirkel ontsnappen?

Het heeft mij altijd, zij het telkens weer kort, verbaasd dat zelfverklaarde ‘conservatieven’ - J. Heldring had een voorkeur voor de term conservatieve houding wat ik al beter vind omdat we middels een houding de wereld en onszelf tegemoet treden - altijd ook een uitgesproken smaakvoorkeur hebben en die koppelen aan een klassiek ideaal, waarmee overigens niet gezegd is dat elke oude norm daarom alleen al betekenisloos is. Wanneer je Popper’s ‘Open samenleving en zijn vijanden’ leest, dan duikt een zelfde soort spiegeling aan een oud en klassiek ideaal (idee) op bij de door hem uitgebreid besproken filosoof Plato, leerling van Socrates. Plato ziet de maatschappij ‘veranderen’ en meent dat hij moet kiezen tussen de nog prille rumoerige Atheense democratie en de oude vertrouwde op Sparta geïnspireerde orde van de oligarchen. En die orde ziet hij al snel als de ideale orde en dat gaat weer samen met zijn theorie van de ‘idea’ waarin de dagelijkse realiteit een afspiegeling is van de idea in de hogere wereld. Realiteit is dus ‘tweederangs’ en de kunsten met hun drang tot nabootsing staan daar weer onder: nabootsing van nabootsing; de werkelijkheid is de mimesis van de idea en de kunsten zijn de mimesis van de mimesis. Je zou dus kunnen beweren dat ontfiguurlijkte kunst dichter bij die Platoonse idea staan dan figuratieve kunst die het moet hebben van wat de werkelijkheid haar voorschotelt.

Popper poogt in zijn boek de overgang te beschrijven van een tribale samenleving gebaseerd op stabiliteit, groepsrituelen en magie naar een open rationele samenleving waarin de samenleving stapsgewijs (d m v trial and error) ‘verbeterd’ kan worden door met rede begiftigde individuen ingebed in democratische instituties. Nu is het gevaar altijd dat dergelijke pogingen tijdperken en samenlevingsvormen strikt van elkaar te scheiden, om aan dat onderscheid de eigen voorkeuren op te hangen, ertoe leiden dat men bepaalde aspecten over het hoofd ziet zoals het magisch-metafysische karakter van wat als rationaliteit beschouwd wordt of de wel erg simpele gelijkstelling van een oude situatie met ‘de ideale’ situatie. Of je koestert, zoals je ook wel bij Popper ziet, een onwrikbaar geloof in een lineaire ontwikkeling van de menselijke geschiedenis of het menselijk kenvermogen. Een meer cyclische opvatting van diezelfde geschiedenis wordt dan al snel over het hoofd gezien evenals de waarde van oude modellen, die immers voorbij zijn. Hier is weinig plaats voor een sceptische levenshouding zoals bij niemand die zich optimistisch en welgemutst op eenvormige doelen en eenvormige oplossingen richt. Eén van de zaken die men eveneens licht over het hoofd ziet, is het verschil tussen het ‘hoofd van de mensen’ en het ‘uiterlijk vertoon’ van de maatschappijen. Simpel gezegd aan de hand van een voorbeeld van nu: je kunt open grenzen ambiëren vanuit een ‘gesloten’ denk - en wereldbeeld in je hoofd en een haast magisch geloof in de heilzame werking van het vrijelijk heen en weer bewegen van mensen. Duisternis, rationaliteit, rede en magie zijn niet zo zeer aan elkaar tegengestelde begrippen maar zijn allen facetten van het beperkte ken- en voorstellingsvermogen van de mensen die zich een weg banen in de wereld en in zich zelf. Bij al die kenvormen blijft de vraag recht overeind staan hoe zich alles aan de mens openbaart.

Open en gesloten, bewaren en openbreken, inclusiviteit en exclusiviteit, stilstaan en vooruitgaan, mooi en lelijk, donker en licht, goed en kwaad, boven en beneden, individualisme en nationalisme en al dergelijke polaire ‘ideaaltypische’ termen geven de fictieve uiteinden weer van de worsteling van mensen met de wereld die zij scheppen of tegemoet treden, maar minstens zo vaak schuiven dergelijke uiteinden in elkaar want niets laat zich helemaal scheiden; in het ene zit het andere verscholen. Niets sluit perse het andere uit. Begrijpen is concurreren op het vlak van de begrijpelijkheid. Alle termen om het leven te duiden blijven bedachte termen die zich zowel in eerste als laatste instantie niet goed en helder laten definiëren, temeer daar ze ingezet worden in de strijd van de mensen onderling. En hoe kun je wapens gebruiken die niet uit één stuk vervaardigd zijn? De verleiding van simpele  doeltreffendheid is dus groot.
Exclusief refereren aan een ‘voorbije’ gouden periode of het exclusief ‘verwijzen’ naar een of andere toekomstige heilstoestand gaat voorbij aan de bestaande wereld waarin de mensen leven, vol met langs en over elkaar heen buitelende feiten, gebeurtenissen, herinneringen, verwachtingen, onzekerheden, gewoontes, beslissingen en voorkeuren. Maar ook het tekens weer verwijzen naar de actualiteit die tot deze of gene handelwijze noopt, ontaardt al snel in een snobisme waarin heden, verleden en toekomst niet in elkaars perspectief bekeken worden.

Als gevolg van menselijke beslissingen zijn de westerse samenlevingen in de recente tijd veranderd van betrekkelijk stabiele naar instabiele samenlevingen met oude nog functionerende mechanismen; de straatlantaarns doen het nog. Samenlevingen houden zich immers ook nog tot op zekere hoogte op de been door de werkdiscipline die nodig is om brood op de plank te krijgen. Het mag trouwens opvallend genoemd worden hoe sterk mensen, zelfs diegenen die in veranderlijkheid geloven of daarvan hun dogma maken om de door hen zo gewenste immigratie te bepleiten, toch nog blijk geven van een zeker geloof in de betrekkelijke stabiliteit van die samenleving en de instituties die haar schragen. Een analyse van de mogelijke en al gerealiseerde veranderingen als gevolg van de immigratiepolitiek wordt met enige zorgvuldigheid vermeden of ogenblikkelijk politiek of moreel geduid. Begrijpelijk als dit is, want welke boodschapper vertelt nu over de inherente gevaren van zijn heilsboodschap?

Die toegenomen instabiliteit komt niet alleen door de uiterst riskante besluiten om grote aantallen mensen van allerlei snit toe te laten maar ook door de onstuimige ontwikkelingen van de technologie, de spasmen van de economie, het postmodernisme met zijn soms ontwrichtende relativistische kanten, het arrogante zelfgenoegzame individualisme en het mediaspektakel dat haast niets anders doet dan het actuele opkloppen totdat er zoveel lucht in is geblazen dat het voor de argelozen de enige wereld wordt waarin zij leven. Toch is in die maalstroom de weerstand gegroeid, al bedient die zich soms van dezelfde soort mechanismen als die waartegen zij ogenschijnlijk in het geweer komt. Elke cultuur presenteert nu eenmaal een bepaald palet aan mogelijkheden en er zijn maar weinig zelfstandige of onwennige individuen die zich weten te onttrekken aan de gebruikelijke conditioneringen of terminologieën. Het kind staat tegen de vader op zoals de vader tegen zijn vader opstond.

Zo zien we juist in een opengebroken cultuur als de onze een heftig en onverzoenlijk dualisme ontstaan waarin het wezenlijke feit van de polariteit niet begrepen wordt en mensen vluchten naar de ene of de andere zijde, zich bedienend van elkaar uitsluitende kwalificaties die echter veel meer op elkaar betrokken zijn dan menigeen denkt. Tegenstellingen zitten samen in de val.

De huidige ‘progressieve’ verwijzing naar de rede en redelijkheid - die altijd de hunne is - doet in dit verband nogal archaïsch en tegenstrijdig aan. Men wil zijn ware vooronderstellingen of ‘conclusies’ bewaren maar tegelijkertijd doen alsof men ‘open’ staat; het is echter een openheid in de gewenste richting. Aan de andere kant zijn we getuige van een sterkere nadruk dan voorheen van het verlangen naar een identiteitsgevoelige collectiviteit of van een bij uitstek klassieke kunstvoorkeur, al is niet elk verlangen naar het ‘oude’ enkel en alleen op het conto te schrijven van de voor velen bedreigende ontwikkelingen in de westerse naoorlogse periode. Veel opvattingen en sentimenten van mensen leiden een slapend bestaan en worden pas goed wakker als er aan geknaagd wordt. Dit wordt licht vergeten. Niet alles kan zuiver als reactie begrepen worden. Zo werd er ook wel voor gewaarschuwd de Russische beer niet wakker te maken. Het kan van wijsheid getuigen om iets te laten rusten totdat het vanzelf gaart.
Net als het exclusief lonken naar een eenvormige identiteit – als vooruitgeschoven bolwerk tegen de alles openbrekende krachten – vergist men zich aan de conservatieve zijde ook nogal eens door het heil in bepaalde religieuze kringen te zoeken. Dat zijn bepaald geen kringen waar de intellectuele zelfstandigheid van de mens gevierd of verdragen wordt net zo min als overigens bij de ‘kosmopolitische’ zijde waar het verlangen onderdeel te zijn van het goede of van de historisch noodzakelijke loop van de geschiedenis, niet veel anders is. Ook daar heerst de kneveling.

Waar progressieven hun lot in de handen van de altijd maakbare toekomst hebben gelegd, wijzen conservatieven op de oude modellen die volgens hen hun diensten al ruimschoots bewezen hebben. Overigens stelt het gebruik van termen als conservatief of  progressief ons voor problemen. Immers de term is er al voor wij gaan ‘zoeken’. Als mensen echter hun best doen onderscheidende factoren op hun merites te beoordelen en altijd een voorlopigheid in te bouwen in hun voorstellingsvermogen en hun redeneringen, dan is het risico van het gebruik van dergelijke termen betrekkelijk gering. Alles wordt dan als het ware hypothetisch geladen. Elke term wordt dan voorwaardelijk maar nog niet onwerkelijk of vrijelijk inwisselbaar. Het voordeel van de betrekkelijke vaagheid van onderscheidende termen is misschien wel dat zij juist daardoor ruimte bieden om een beeld te vormen zonder dat waar men naar kijkt, al in een wirwar van noten, annotaties en toevoegingen gegoten is. Want wat is een conservatief of een kunstenaar nu eigenlijk? Juist dat gebrek aan begrippelijke invulling geeft ruimte om verder te kijken dan iemands neus lang is. Dat tussenwoordje ‘is’ is echter het offer dat mensen steeds weer brengen aan hun knellende onzekerheid over hoe iets tot hen doordringt. De ongeduidheid van al het zijnde wordt zo onder controle gebracht.



David Bade


Kunstenaars – laten we de verder definiëring even voor wat die nog niet is – kunnen onderscheiden worden van de werken die zij maken. Wat de eerste categorie betreft, het is in beschouwende teksten nogal eens gebruikelijk om niet over kunstenaars te spreken maar over de kunst, het onderscheid omzeilend tussen de werken, de receptie, de makers, het maken, de plek van al deze facetten in de cultuur in ruime zin of elke factor ook waarop men nog niet is gekomen. ‘Kunst’ wordt doorgaans als heilzaam voor een samenleving verklaard en kunstenaars inclusief hun houding worden tot type veralgemeniseerd in plaats als een historische veranderlijke categorie beschouwd die weer uiteenvalt in een veelheid aan individuen. Een voorbeeld van het bewieroken van die vermeende eigenaardige bijzonderheid van kunstenaars en hun kunst is het artikel in de NRC van 25 januari 2017 van Birgit Donker, directeur van het Mondriaanfonds en ex-hoofdredactrice van de NRC, waarin gesteld wordt dat kunstenaars kritische, autonome en onderzoekende vrijdenkers zijn. Zij gaan uit van mogelijkheden en zien in veranderingen juist kansen. Ook hier is weer geen sprake van enige diepere reflectie op bijvoorbeeld het wezen van de kritiek maar wordt die in dit geval automatisch gekoppeld aan het kosmopolitische multiculturele model. Want de kritiek is de goede kritiek volgens dit donkeremaanse wereldbeeld. Laten we ons om maar eens een klein voorbeeld voor de geest te halen, ons voorstellen hoe wij op iemand zullen reageren die ons met een zwaard van het leven wil beroven; dat is immers ook een verandering en die biedt toch ook kansen. Maar in dit artikel zijn geen sporen van enige twijfel aangaande van de veronderstelde juistheid van de gebezigde termen te vinden. Verderop stelt zij dat onze kunst onze identiteit is. Laat de populisten zoiets niet zeggen! Hun werk, orakelt zij verder, is typisch Nederlands en het verbindt. Altijd weer dat toverwoord waarvan we ons hier moeten afvragen hoe zich dat zou verhouden tot het autonome en onderzoekende karakter van al die vrije kunstenaarsgeesten.


erik van lieshout

Als je zo wel eens al die verheven woorden over de kunsten tot je door laat dringen dan moet de gewone burger wel gek zijn om zich hierdoor niet te laten inspireren bij zijn levensvragen en maatschappelijke zorgen. Kunst is de heilsmassage die de geprangde burger nodig heeft. Maar wat zien we als we naar de laatste decennia kijken en de politiek-maatschappelijke positie van kunstenaars tot ons door laten dringen? We zien dan dat westerse kunstenaars in grote getale zijn gaan behoren tot de beweging van het kosmopolitisch georiënteerde multiculturalisme met alle vooringenomenheden en meningen die daarbij horen. Hieruit volgt een agenda en een machtsontplooiing die weinig ruimte laat voor andere stemmen. Begrippen als progressief of beschaving zijn hier onverwoestbare bakens van de juistheid van het wereldbeeld dat men koestert of de voorstellen die men oppert.
Daarop kan en hoort kritiek geuit te worden. Tegelijkertijd zijn het doorgaans mensen die hun vak serieus nemen en proberen er het beste van te maken. En wat hun werk betreft: kun je van hen verlangen altijd en eeuwig te blijven werken volgens een oude volgens sommigen beproefde canon? Dan beweer je dus dat de geschiedenis bij bepaalde punten stopt. Maar je beweert dan tegelijk dat het niet aan individuen is om mogelijkheden te zoeken en geaccepteerd te krijgen die voorbij die gevestigde canon reiken. Zij horen dan blijkbaar trouw de ‘partijlijn’ te volgen al zal het hen vast toegestaan worden hier met minuscule gestes van af te wijken. Maar we dienen goed te begrijpen dat elke ‘vernieuwing’ zich presenteert als een overtreding van de norm, hoe snel die overtreding zelf ook weer de nieuwe norm wordt. Patiënten in ziekenhuizen mogen blij zijn dat het chirurgijnsgilde ook niet is blijven steken bij de oude aderlatingen of keisnijdingen alhoewel ook in medische kringen dezelfde tegenstelling tussen het oude en het nieuwe of het bewezene en het onbewezene een rol spelen. Vroeger durfde men bijvoorbeeld niet echt in het lichaam te kijken maar ventileerde intussen wel allerlei opvattingen over de inhoud van datzelfde lichaam. Sommigen noemden het een zak met darmen net zoals nu de samenleving wel als een zak met mensen wordt getypeerd. Het idee over God speelde bij de visie op het lichaam een belangrijke rol. Onderzoek naar het lichaam bevond zich lange tijd in de taboesfeer. Dezelfde processen van vermijding spelen ook nu een rol. En morgen weer.

Kun je dus mensen dwingen volgens oude patronen die blijkbaar eenmaal als maat der dingen heilig verklaard zijn, te blijven werken? Je zult hun creativiteit dan net zo moeten kanaliseren als multiculturalisten nu de geesten van hun tegenstanders willen kanaliseren om er het ‘goede’ in te gieten.

De wereld net zoals de mens zelf wordt bepaald door die altijd naast en in elkaar werkzame krachten als het openen en het sluiten, het vroegere, het huidige en het toekomstige, het hier en daar, het stilstaan en het voortbewegen, het oude en het nieuwe of het individuele en het collectief gezamenlijke. Wat als de conservatieve stroming bekend is geraakt, kreeg met iemand als Edmund Burke een nieuwe impuls toen hij stelde dat het de opgave van de mens was oog te hebben voor het oude wanneer hij in het heden het toekomstige voorbereidde. Ik heb een dergelijk appel altijd willen begrijpen als een voortdurende en een zich steeds hernieuwende aansporing om tijdsgebonden krachten te onderzoeken in plaats van zich blind te staren op een of andere oude orde dan wel zich te vergalopperen aan onbezonnen dromen voor een nieuwe orde. Elke ‘vernieuwing’ doet zich immers al snel voor als oud en eerbiedwaardig en wil zich vestigen. Bevestiging zoeken is eigen aan de mens. Vandaar ook de verleiding bij sommige conservatieven om hun ideeën op de oude vertrouwde leest te schoeien als het om inrichting van de maatschappij of om de kunsten gaat. Net als bij Plato, al beschouwde hij de kunsten op grond van zijn theorie over de werkelijkheid en de idea als in feite tweederangs want ze was slechts nabootsing van de werkelijkheid, zie je bij conservatieven naast een bezorgdheid om de ontwrichting van het bestaande, een verlangen naar het ‘gefixeerde’ ware, het ‘gefixeerde’ schone en het ‘gefixeerde’ goede. Een zelfde waarheidsverlangen zien we overigens ook terug bij hun tegenstrevers die eveneens appelleren aan de waarheid van hun principes en idealen, alleen richten hun idealen zich op dat wat zij nu en in de nabije toekomst willen bereiken en veel minder op iets dat al bestaat; dat interesseert hen niet zo zeer. Het principe staat hier tegenover de toestand; het principe van de verandering, de ethiek of de waarheid tegenover de weerbarstige eigenaardigheden van de bestaande toestand. Idealiteit tegenover realiteit. De conservatieve reactie van mensen als Burke was gericht tegen de universalistische aanspraken van de Franse revolutie aan het einde van de achttiende eeuw die de maatschappelijke inbedding van mensen over het hoofd dreigde te zien en al snel leidde tot allerlei vormen van scherpslijperij en onderdrukking. Net zoals heden ten dage weer aan de orde is met de verzengende invloed van de multiculturele revolutie.

Maar in plaats van het openhouden van de geest te midden van het autoritaire appel dat van de bevrijde revolutionaire geest uitging, zag je - bijvoorbeeld bij iemand als de Duitse filosoof Gottfried Herder - een terugkeer naar de oude vertrouwde patronen van geborgenheid en hierdoor werd uiteindelijk weer ruim baan gegeven voor de hoogmoedige aanspraken van de openbrekers van bestaande modes en culturen. Nu de conservatieve reactie zich tegen elke prijs begon vast te klampen aan traditionele opvattingen gaf ze de ‘modernisten’ een publicitair wapen in handen om hun ‘hogere’ principes uit te venten zonder dat zij zich rekenschap hoefden te geven van het feit dat ‘het bestaande’ sterke papieren heeft en moet hebben want in het bestaande rust immers alles wat er uit voortkomt, en bovendien tast het nieuwe altijd het bestaande aan wat betekent dat het nieuwe zich dient te verantwoorden. Vooral als die drang naar het nieuwe de levens van anderen dreigt aan te tasten. Misschien dat de geest van de Verlichtingsdenkers de conservatieven maar ten dele verlicht heeft omdat ook zij zich wilden koesteren in iets dat verloren dreigde te gaan. En juist daardoor, ik schreef dit al eerder, hebben ‘modernisten’ zich meer ruimte toegeëigend dan inmiddels als verstandig beschouwd wordt. Want maatschappijomvormers zijn meestal rücksichtlose mensen die van geen voorzichtigheid en kritiek willen weten. En juist zij zijn er bij gebaat het discours gevangen te houden tussen de polen rede en nationalisme. Want dat wordt gesuggereerd door progressieven: zij zijn immers de vertolkers van de rede en de redelijkheid al gaan die vreemd genoeg samen met het onafwendbare, het gewenste of historisch noodzakelijke. Het heeft er dus de schijn van dat de huidige lichting progressieven onverzettelijker en vasthoudender is dan de zogenaamd populistisch nationalisten met hun bijna wanhopige vragen. Wie zijn conserverender?!
Waar de rede een program of doctrine geworden is, verarmt het. Conservatieven - weer moet ik dat woord noemen voordat een uitputtende (!) beschrijving gegeven kan worden - verzetten zich juist tegen dat doctrinaire en de maatschappelijke gevolgen daarvan. Dat zij dan juist zoals dat bij hun kunstopvattingen blijkt, zich vastklampen aan een oude gefixeerde praktijk doet hun zaak geen goed en daar zouden we voor moeten vrezen. De aard en wijze van het denken van sommige Verlichtingsfilosofen zouden wat meer vat op hen moeten krijgen om een al te schematische blik te vermijden. Is dat misschien de val waarin de progressieven hen gelokt hebben? Zij hebben immers baat bij een simpele tweedeling.

melanie bonajo


Maar wat valt er nog te zeggen van die kunstenaars die zich al te vanzelfsprekend aangesloten hebben bij een ‘universalisme’ dat zo weinig oog heeft voor bestaande leefpatronen en in feite opteert voor het onbegrensde, in tegenstelling tot de opdracht van de mens die zich nu juist kenmerkt door zich het onbegrensde voor te stellen in een begrensde en vooral bestaande wereld. Doordat multiculturalisten nu juist wel van in feite onbegrensde mogelijkheden uitgaan, scharen zij zich hiermee bij die Amerikanen die die onbegrensde mogelijkheden altijd als hun alfa en omega beschouwd hebben: les extremes se touchent. De menselijke geschiedenis kent wel meer ironische overeenkomsten.

Carry van Bruggen (1881-1932), ondermeer schrijfster van ‘Het huisje aan de sloot’ en ‘Prometheus’, stelde - ik hoop haar woorden hier niet te misbruiken - dat de kunstenaar disponibel diende te zijn. Wat wij bij hedendaagse kunstenaars aantreffen is het inleveren van ‘die’ beschikbaarheid voor het aanhangen van het program van het multiculturalisme en voor de aanvechting de oude samenleving - die nu zo genoemd wordt -  op te offeren voor een ideaal dat met het inwilligen van werkgeversbelangen begonnen is en dat hardnekkig en met alle beschikbare middelen poogt een ‘nieuwe wereld’ te scheppen. Zij hebben zich de afgelopen periode dus voornamelijk laten kennen als slippendragers van specifieke maatschappijopvattingen en daarmee zijn de vitale vermogens afgestorven om zo onbevangen of kritisch als mogelijk naar zichzelf te kijken en naar wat zich aandient of hen omringt. Nogmaals, dat euvel is op meerdere plaatsen te zien. Wat verandert er wanneer de mensen de ene oogkleppen inruilen voor de andere?


Dan nog een enkele opmerking over de status van het Ware, het Goede, het Schone. Al dergelijke termen hebben iets geografisch. We kunnen ons altijd afvragen waar het Ware is, waar het Schone of waar het Goede. En we kunnen ons afvragen of zo’n gebied met onfeilbare zekerheid is vast te stellen met onze feilbare geestelijke vermogens. En zelfs dat kunnen we ons afvragen. En daarom is dat besef van die feilbaarheid cruciaal. Een pleidooi voor de aarzeling is het enige dat de mens nog rest die bij zichzelf naar binnen gekeken heeft.