dinsdag 22 november 2016

Blog 50 Over en naar aanleiding van het werk van Sjoerd de Vries

In een schemerig hoekje van ons huis hangt een klein  zilvergrijs ingelijst schilderijtje met een al even schemerige voorstelling. Ik houd van schemerige amper door het licht bezochte plekken waar de dingen iets van hun zichtbaarheid prijs moeten geven. Het kleine op houtplaat geschilderde schilderij stelt een landschap uit 1941 voor, het eerste volledige oorlogsjaar en ook nog het geboortejaar van de uit Friesland afkomstige kunstenaar Sjoerd de Vries; een kunstenaar voor wie eerder het stanleymes dan het penseel zijn werktuig was. Het schilderijtje dat ik bezit moet ergens in Drenthe geschilderd zijn, in ieder geval in het oosten van Nederland, waar de vale stilte nog vat krijgen kon op de daar aanwezige oude gronden. Op het schilderijtje is het winter. Het is mij zeer dierbaar, niet alleen omdat het uit het Noordoosten komt of omdat ik maar geen grip krijgen kan op de voorstelling maar ook omdat ik haast tastbaar nog de aanwezigheid van de maker voel, die dat met zijn koude wat onbeholpen handen geschilderd moet hebben. Schilderijen leiden je soms naar de mens die alleen met zichzelf, iets uit zichzelf voortbrengt. Dat wordt te vaak vergeten. Zie hier de mens, zegt een kunstwerk soms. Wie de schilder of schilderes - ik dacht altijd aan een man vanwege zijn vermogen tot het tragische - was laat de uitgesleten signatuur niet zien. Misschien wil ik het ook niet weten. Sommige dingen moet je gewoon niet willen weten. Geheimen horen soms daar waar ze horen. Zelfs in een onttoverde tijd als de hedendaagse waar blijkbaar alles naar de oppervlakte gedreven moet worden. Om daar vervolgens te vervlakken en af te sterven.

Terwijl ik steeds vanuit mijn ooghoeken naar dat schemerige en wat afgebeten schilderijtje kijk, besef ik, dat ik er slechts naar kan kijken met een zelfde onbeholpen poging als waarmee de schilder het gemaakt moet hebben. Hoe kun je ook een logica van een zekere orde begrijpen, aanvoelen, vanuit een andere eraan tegengestelde logica? Luther begreep dit al toen hij zei dat het pas zin had met iemand te praten wanneer deze persoon hetzelfde geloof aanhing. Ook dit, het onder gelijke noemer stellen, is iets dat steeds vaker geprobeerd wordt, nu met de grote gelijkschakeling van ‘van alles en nog wat’. Achter de dwang van het diverse, schuilt de gelijke maat, dat vergeet men maar al te vaak. Op de keper beschouwd kun je iets alleen maar naderbij komen door er de innerlijke logica van (mee) te voelen; door er als het ware op gelijke hoogte mee te komen. Tenminste, als je naderbij wilt komen: dat vooronderstelt deze gedachte toch tenminste. Maar de mens is niet bij machte alles en iedereen op elk moment naderbij te komen. Ook dat zouden wij moeten weten.



De Deelen


Het eerste schilderijtje van Sjoerd de Vries, geboren te Oudehaske, een voormalige grietenij in Friesland waarin de grietman de openbare aanklager was, dat mij onder ogen kwam was een kleine maar langgerekte weergave van de Deelen. In dit gebied, boven het huidige Heerenveen hebben jaren achtereen met zweet beparelde lichamen het bruinige turf ‘gestoken’ en deze turfafgravingen hebben zo langzamerhand het landschap ingrijpend veranderd en in de loop van de tijd is er een moza├»ek ontstaan van water, rietkragen, moerasbosjes en kleine graslanden, de oude legakkers waar het opgegraven veen te drogen werd gelegd. Elk land kent zo zijn vergeten menselijke geschiedenissen en wat er overblijft is het uiterlijk gevolg er van. Maar wat ik aanvankelijk bij dat kleine schilderij van De Deelen nog amper zag was de eenvoudige vraag of dit nu naar ‘het motief’ ‘geschilderd’ was of dat Sjoerd de Vries vanuit zijn eigen motieven, zijn eigen handigheden en onhandigheden dat land naar zich toe trok en toch ook gelijk weer van zich af duwde. Want dat laten dit soort werken ook zien: de onmogelijkheid om er vaste voet aan de grond te krijgen.

Daar, in dat werk, zie je dat het grijzige licht die rechtopstaande rietkragen in zijn greep houdt…. en toch ook weer niet. Juist omdat het licht met al zijn diffuse kracht het gehele beeld doordrenkt, is het er een al even onlosmakelijk bestanddeel van geworden en verschijnt en verdwijnt het in alles dat zichtbaar is. Eenzelfde paradoxaal spel ontstaat in onze verbeelding, wanneer we zien, voelen of denken dat hier een kunstenaarshand bij betrokken is geweest is en daardoor laveren wij steeds tussen het illusoire karakter van het beeld en de wetenschap dat het ‘gemaakt’ is. Want dat doet zo’n werk ook: het verzet je in een ongemakkelijke positie waarin noch het een noch het ander prevaleert. Hetzelfde geldt voor waar we de voorstelling kunnen situeren: is ze nu bij ons voor onze ogen, staat ze bij hem op zijn tafel of schildersezel, of bevindt het zich daar, daar in de Deelen. Het beeld, het kijken naar het beeld, bemiddelt tussen al die drie posities. En het beeld dat hangt daar onbeweeglijk en alleen.

zelfportret 2005
zelfportret 1987 















Wie de verschillende zelfportretten van Sjoerd de Vries onder ogen krijgt, valt nog iets op. Steeds vaker laten die portretten zien dat ze … vooral bewerkt zijn. Al dat schijnbaar eindeloos geschuur, geschaaf, geschilder, gesteek, gepeur en gesnij in en op dat gelaagde karton. Welk een verschil met zijn tijd als schaatser waarin hij juist in een zo kort mogelijke tijd bij de finish wilde zijn. Ja, Sjoerd de Vries, was ooit schaatskampioen op de honderd meter sprint. Nu dat zijn ijzers zijn mes geworden zijn, is dat finaal veranderd, nu werd de tijd de grote verliezer. Maar nog iets openbaren al die in gedempte kleuren opgezette portretten. Zelfs binnen het toch al niet zo scherp uitgetekende oeuvre van de Vries, zie je dat zelfs daarbinnen nog een vervaging mogelijk werd met als eindpunt een zelfportret uit 2005 waarin hij weliswaar nog niet helemaal maar toch wel goeddeels in een uitgebleekt noch amper stralend licht opgelost is. Want die vraag heeft hij zich mogelijk ook gesteld: “Moet ik dat licht nu laten stralen of niet?” Maar bovenal voel je de vraag: 'Kan ik mijzelf nog wel weergeven?
Dan vallen die iel getrokken lijnen op. De lijnen die hij eerder gebruikte zijn hier nu zo getrokken alsof ze hem nog amper weten te vangen. De ogen zijn lichte, haast lichtgevende gaten geworden die niets meer zien maar misschien toch ook alles. Een kunstenaar, transformator van al het zichtbare, staat, geconfronteerd met een motief,
 voortdurend voor de keuze, of en hoe hij dat zichtbare zal omvormen ofwel vanuit zijn eigen lichaams- en geestestaal zal benaderen. Ook een kunstenaar wankelt en wijfelt. Althans bij het maken van zijn werk. In dit geval is de vraag geweest of die ogen nu gaten moesten worden of toch nog iets van hun anatomische herkomst moesten laten zien. Maar misschien dat zijn handen deze vraag voor waren geweest; ik weet het niet. Giacometti die zeer op het gezicht gefixeerd was, wist op een gegeven moment haast niet meer hoe hij dat gezicht nu moest zien. Zien werd een kwelling voor hem. Ja, het zien is conflict geworden en bij sommige kunstenaars in het bijzonder.


Want dat is nog zoiets wat mensen licht vergeten: kunstenaars, maken dingen en die dingen staren hen aan, soms tot vervelens toe, en telkens weer stellen zij zich de vraag: wat heb ik in hemelsnaam gedaan en wat zie ik nu. Help mij. Het is niet zo vreemd dat Sjoerd de Vries op een vraag of hij autodidact genoemd  moest worden antwoordde dat hij vooral niet zo genoemd wilde worden maar eerder autistisch.

Nog een vraag die ons bezighouden kan. Wat vertellen kunstwerken als die van Sjoerd de Vries nu over ons en de wereld waarin wij leven? Vertellen zij ons iets over hoe wij behoren te handelen of hoe wij naar die wereld zouden behoren te kijken. ‘Hij was alleen met zichzelf’, is het eerste dat mij aan werken als deze opvalt. En de mens grijpt soms bijna wanhopig naar middelen om iets van zichzelf te laten zien: en trekt zich daarin tegelijk terug. Hij kan niet anders. Maar vertellen ons dergelijke werken iets over wat wij zouden moeten denken of doen? Nauwelijks iets, vermoed ik. Nee, zij zeggen mij niets over welk brood ik morgen kopen zal, zij zeggen mij niets over of ik de wereld nu socialistisch of liberaal moet interpreteren, ze zeggen mij niets of de grenzen nu ‘open’ of ‘gesloten’ zouden moeten worden, ze zeggen niets over mijn denken, ze zeggen mij niets over mijn glimlach van morgen, niets van dit alles. Kunstwerken zoals deze ‘zijn’ op hun best een universum dat in en op zichzelf staat en waartoe ik schijnbaar toegang heb. Ze confronteren mij uiteindelijk met mijn verlatenheid.