donderdag 22 juni 2017

Blog 56 De mens en zijn eigenschappen

Een van die zaken die met de massa-immigratie van na de jaren zestig naar de achtergrond geschoven is, is het elementaire besef dat de mens beslag op de aarde legt en dat dat beslag groter wordt naarmate er meer mensen op deze planeet ronddolen. De nijvere burgemeester van Palermo die zo in beslag genomen is met het welkom heten van alle mogelijke immigranten heb ik daarover niet gehoord, maar hij heeft dan ook een herverdelingsinstinct ontwikkeld. Ik begreep dit bevolkingsprobleem als veertienjarige al en toen ik mijn vader (had zeven kinderen) hierover aansprak antwoordde hij mij dat als het me niet aanstond ik maar naar Australië moest vertrekken. Het is de eerste keer dat intellectuele luiheid of dito onvermogen en onbenul mij paarsgewijs zo opvielen, of in ieder geval bijgebleven zijn. Er zouden nog veel soortgelijke ervaringen volgen.

Menselijke eigenschappen actualiseren zich altijd; zo kan luiheid het verlangen naar zekerheid of voorspelbaarheid opwekken, een dromerig en rozig besef van de mensenwereld kan leiden tot een onwerkelijk besef van de realiteit en de neiging tot gehoorzaamheid actualiseert zich wel eens in complementair autoritair gedrag. Iets dergelijks kun je ook van gebeurtenissen zeggen: de menselijke eigenschappen komen bij gebeurtenissen aan het licht; zij verwerkelijken zich bij die gelegenheden die zelf in zekere zin als hefboom voor al die eigenschappen en gedragingen fungeren. Al die menselijke eigenschappen en gedragingen liggen in elkaars verlengde of ze hebben juist een compenserend karakter. Het is dus de vraag of de mens in staat is tot een nieuw begin zoals wel gezegd wordt. Een mens is altijd gijzelaar van zijn eerdere investeringen. Die bepalen zijn aanschijn in hoge mate.

Dat denk-, taal- of voorstellingsgebreken zich in de bevolkingskwestie dus in andere gedragingen verwerkelijken en daarin een rol van betekenis spelen, is dus niet zo vreemd. Ik denk dat het klein begint en groot eindigt. Elkaar hier op aanspreken lukt veelal niet omdat het de kwesties en de standpunten zijn die domineren en niet de manier waarop de mensen functioneren. In zijn toespraak over de taak van de universiteit uit 1959 sprak de Spaanse cultuurfilosoof Ortega Y Gasset over de jungle die het leven is waarin de mens om niet te verdwalen wegen of paden zoekt. Ortega noemde dat cultuur maar het blijkt dus ook dat die paden die met elkaar in verbinding staan juist een netwerk vormen waar soms geen uitweg meer te vinden is. De mens verkleeft zich dus als het ware als gevolg van zijn verlangen naar zekerheid of identificatie. En deze toestanden staan zoals we kunnen zien weer in ‘geschakelde’ verbinding met andere eigenschappen, die weer met verschillende menselijke behoeften corresponderen. Alles hangt aan elkaar vast, het ene opent de weg voor het andere en het ene zuigt het bloed uit het andere. Eigenschappen kunnen parasitair of vampiristisch van aard zijn. Van nature ontwikkelt de mens dus gesloten systemen en het is maar net de vraag wat de input van dergelijke systemen is teneinde de risico’s van die systemen te bepalen.

Een vriend van mij schreef toen hij een jaar of zeventien was, een opstel over het probleem van de overbevolking. Hij voegde alle relevante factoren bij wijze van spreken bij elkaar samen en kwam met nogal zorgelijke conclusies. De leraar zei dat het niet zo’n vaart zou lopen. De schrijver van dit opstel was perplex, even perplex als later, toen Paul Rosenmöller (GroenLinks) hetzelfde zei over de gevolgen van de immigratie: het zou niet zo’n vaart lopen. Antwoorden zijn vaak enorm stereotype en lijken een overeenkomstige conditioneringen te illustreren. Misschien dat het bij hem zijn autoritaire inslag was waardoor hij de gevolgen vergoeilijkte om ze maar niet serieus hoeven te nemen. Mogelijk ook heeft hij een soort intellectuele luiheid opgelopen sinds hij om welke reden dan ook lid van die club geworden. Politieke partijen werken disciplinerend.

Iets begint vaak in het klein en is al onderweg voordat men het goed en wel beseft. En laten we vooral niet vergeten dat de mens een zich zelf bevestigend wezen is. Zelfbevraging en zeker zelfontkenning behoren niet tot zijn dagelijkse bezigheden.
Ik denk dat je bij mensen vaak kunt zien dat de ene eigenschap zich actualiseert als een andere en dat die weer een ander gedrag tot gevolg heeft. Je kunt dit verschijnsel zien als op elkaar volgende schakelingen (het zijn ‘openaars’) die telkens de weg vrijmaken voor een nieuwe eigenschap of een handelwijze. Zo krijgt het gedrag van mensen in de loop van de tijd het karakter van een rhizome, een soort intern netwerk dat op die trapsgewijze schakelingen berust. Die schakelingen kunnen doorgaans niet terugklappen net zoals de tanden van een python naar binnen gericht zijn zodat de prooi vast komt te zitten.
Gevolg is dat je vertakt raakt in een zelf opgeroepen systeem waar je nauwelijks meer uitkomt. Vandaar dat mensen vaak zo hermetisch zijn en haast nooit terugkomen op eerdere uitspraken of handelwijzen. Daarom worden zaken als de immigratiekwestie ook erger: men wordt alleen door externe verslechteringen tot de orde geroepen alhoewel dat nog geen intellectuele verlichting hoeft te betekenen. En net zoals het geen zin heeft om met de slang over je vrijlating te onderhandelen heeft het zo goed als nooit zin om met mensen te spreken die zich zelf als het ware ‘vast’ geschakeld hebben. En zoiets zien we bij de bevolkings- en immigratiekwestie ook. Rust roest.


maandag 19 juni 2017

Blog 55 YIN YANG

Yin Yang

Ik was het afgelopen weekend op bezoek bij iemand die na een lange periode van irritatie, het multiculturele Rotterdam ontvlucht is. We spraken over de immigratiekwestie, het multiculturalisme en haar verdedigers. Ook het yin-jangprincipe kwam in dit licht ter sprake. Dit principe, een oosterse zienswijze, gaat uit van de onverdeelde Tau die zich manifesteert in twee tegengestelde en elkaar aanvullende krachten. Het yangprincipe staat voor allerlei eigenschappen zoals het actieve terwijl het yinprincipe eerder de statische pool belichaamt. Het hiermee samenhangende Taoisme is geen lineaire benadering van de wereld, maar eerder een cyclische: alles keert terug en gaat dan weer verder. Of zoals Emerson over de maatschappij zegt dat waar het ene aan belang wint, het andere zich juist terugtrekt. Het yin-yangdualisme is voortdurend in beweging, wat zich slecht verhoudt met het westerse denken dat meer rechtlijnig van aard; vandaar de begrippen vooruitgang en utopie. Het is een denken dat de beweging lijkt te belichamen maar het is in de wijze waarop zij hiermee omgaat juist weer statisch en hermetisch.

Andere kenmerken van dit tweedelenprincipe zijn dat het een niet zonder het ander kan maar ook dat achter elke voorzijde een achterzijde schuilgaat. Vooral gaat dit principe uit van de natuur van de mens waarmee je rekening hebt te houden, wil je proberen te streven naar een zeker ‘vloeibaar’ evenwicht.
Je zou de immigratie-en de multiculturele drang als eenzijdig yang kunnen beschouwen. De Duitse christelijke filosoof Gabriel Marcel spreekt, om het westerse technische bewustzijn te kenschetsen, over het faustische principe. Het is een begrip dat uitvoerig aan de orde komt in de Untergang des Abendlandes van Oswald Spengler.  Het is de geest van de ongeremdheid, terwijl een element van de rede volgens Marcel nu juist een vorm van gematigdheid en remming is. Des te vreemder is het om multiculturalisten vanuit met name de linkse hoek nu over gematigdheid en de rede te horen spreken. Het immigrationisme en het multiculturalisme zijn dat nu juist niet: er is eerder sprake van een agressieve ideologie die haar maat aan de te veranderen samenleving op wil leggen. De reacties van burgers die om terughoudendheid en zorg ‘voor het nabije’ roepen, werden en worden onvoldoende gehoord. Tenzij je de geboden weerstand zo kunt noemen.

Je kunt daarnaast ook stellen dat die immigratiedrang zich aanvankelijk juist voedde met de relatieve stabiliteit van de samenleving die men eufemistisch de ontvangende samenleving placht te noemen, en passant iedereen onder dezelfde noemer brengend en een kwaliteit aan de samenleving toevoegend die op zijn minst discutabel was. Men ging uit van voldoende draagvlak in financieel, cultureel, ruimtelijk of in welk ander opzicht dan ook. Belangrijk hierbij is te beseffen dat iets dat van verandering uitgaat dit doet ten opzichte van iets dat nu juist, en zeker aanvankelijk, onveranderlijk is of tenminste zo gedacht wordt.

Het eruit voortvloeiende denken is in die zin typisch westers, omdat het geen oog heeft voor de andere pool, niet van de achterzijde uitgaat doch er op zinspeelt dat de burgers zich wel zullen voegen. Het is in die zin autoritair. Maar het cyclische denken gaat nu juist wel van ‘tegenreacties’ uit omdat daar immers een ander deel van een kijk op de samenleving achter schuilgaat die minstens even werkelijk is als de aanbeden hang om te veranderen en dat bovendien met de gevolgen te maken heeft. Het is dus altijd de kunst een modus te zoeken die beide polen op de een of andere manier verenigt. Maar dat vereist een open en democratische kijk op een samenleving. Immigratiepolitiek die altijd nieuwe aanleidingen zoekt om zich te realiseren, mist echter een beweeglijke dualistische visie op mens en samenleving.
Het is dan ook niet vreemd dat wij beiden, en wij niet alleen, met het voortschrijden van die politiek juist steeds gevoeliger werden voor onderscheidingen naar afkomst, religie, cultuur of politieke voorkeur. De gelijkheidsdrang, die Gabriel Marcel nog als gevaarlijk betitelde omdat daaraan afgunst en wrok aan ten grondslag lag, heeft in die landen waar zij opgelegd moest worden, juist een sterkere hang naar onderscheid opgeleverd, zoals we al zagen bij buitenlanders die zich juist meer op elkaar aangewezen voelden, een verschijnsel dat wel meer bij migrantengemeenschappen voorkomt, en bij het groeiende autochtone verlangen naar iets van zichzelf. Men noemt dat tegenwoordig het vraagstuk of het probleem van de identiteit.

De in het westen dominante drang ‘naar voren’, is juist vergeten dat er geen eenvoudig ‘naar voren’ is.

Literatuur:
Het Tau : gids voor zelfontwikkeling in het dagelijks leven. Hua Ching Ni
Taoïsme, de weg van de mysticus. J. C. Cooper
De Ondergang van de wijsheid. Gabriel Marcel


zaterdag 1 april 2017

WUND XIII 2013/2017 65x50cm olieverf op doek

donderdag 30 maart 2017

Blog 54 2017 AVONDLAND-ESSAYS Paul Bauduin Uitgever Xanten

Op zoek naar dwarse geesten in dit intellectueel verkavelde en daardoor armoedige land stuitte ik bij boekhandel Donner in Rotterdam op Paul Bauduin die op 1999 met een pistoolschot een einde aan zijn leven maakte. Hij was toen 93 jaar. In de jaren twintig van de twintigste eeuw vertrok hij naar de Indische Archipel, kwam in de reclame terecht, trouwde, werd door de Japanners gevangen genomen en moest werken aan de beruchte Birmaspoorweg. Terug in Nederland werkte hij in het marketingbedrijf van zijn broer en schreef daar ook over. Gedurende de Koude Oorlog vertrok hij naar de VS bang als hij was dat in Europa de Derde Wereldoorlog zou uitbreken. Hij bekwaamde zich in de filosofie die hij uiteindelijk grotendeels bekwame nonsens vond. Hij schreef liever over alledaagse vraagstukken in plaats van diepe theorieën te ontwikkelen. Maar hij werd wel geïnspireerd door Oswald Spenglers ‘der Untergang des Abendlandes’. 

De essays geselecteerd in de ‘Avondland-Essays’ werden geschreven van  1978  tot het eind van zijn leven. Met de filosofische discipline in zijn achterhoofd verkende hij een groot aantal vraagstukken en kwesties zoals ‘het onkenbare en het onbekende’, ‘de verlossingsmythe’, ‘geest, stof en doodgaan’, ‘natuur en cultuur’ en ‘de massastaat’. Het zijn zoals Gerard van Eyk op de achterflap van het boek zegt eenvoudige lineaire vertellingen met hier en daar rake typeringen. Een zelfstandig en eigenzinnig denker maar niet iemand met meeslepende grote gedachten. Over de ontwikkelingen als gevolg van de immigratiekwestie schreef hij amper, voorzover ik kon nagaan maar in dit citaat wordt het wel gememoreerd. Het staat in het hoofdstuk ‘Blauwdruk voor een ondergang’.

Terwijl de culturen op aarde, de grote, de kleine, de oude, de jonge, de levende en de dode, overspoeld werden met technische snufjes en de politiek orakeltaal van het Westen (democratie, gelijkheid, zelfbeschikking, socialisme, kapitalisme, mensenrechten enzovoort), wordt de natuurlijke verscheidenheid van alle rassen, volken en individuen platgewalst onder een homogeniteit die niets te verliezen heeft dan haar eigen vulgariteit; een wereldwijde communicatie die niet méér te communiceren heeft dan de roddelpraat van de vijf werelddelen.
Cultuur is een product van het verleden, aan ons doorgegeven niet alleen om ervan te genieten, maar ook om het verrijken en te bewaren; Was du ererbt von deinen Vätern hast, erwirb es um es zu besitzen (Goethe).

Spengler schreef in zijn Gedanken: Alles, was gross geraten is, geht  an der Kleinheit der Erben zugrunde.

Als de drie hoofdoorzaken van de huidige wereldcrisis noemt PB de overbevolking van de aarde, de onstuitbare groei van de techniek en de verwoesting en verspilling van onze natuurlijke levensbronnen.

Vanzelfsprekend lijkt me dat deze oorzaken gepaard gaan en deels ook weer veroorzaakt worden door gebreken in de voorstellingen die mensen van zichzelf en hun strevingen hebben. Hier in het intellectueel vlakke Nederland heerst helaas een bloedeloos en moralistisch pragmatisme dat het denken tamelijk verengd en deels ook afgeschaft heeft. Ik ben dus blij met mensen als Bauduin al is het denken van mensen als Spengler aanzienlijk scherper.

Klein vervolg.

Zoals hier al eerder min of meer zo gezegd is, beschouw ik Bauduin als iemand begiftigd met een filosofisch geschoold maar nuchter verstand. Het is niet het soort nuchterheid dat je hier te lande veel aantreft; dat is namelijk een soort nuchterheid die op de grens van pragmatisme, onverschilligheid en benepenheid zit. Bij Bauduin zit het hem in zijn levenshouding en de wijze waarop hij met ‘de dingen’ omgaat. Die is ‘franker en vrijer’. En dat is in het moralistische Nederland een veel zeldzamer eigenschap. Daar kan analyse nooit vrijmoedig laat staan uitgebreid zijn, omdat de moraal, de mening, zich er haast altijd tussen wringt.

Hier nog twee citaten: één over de universele liefde en één over de dood.

‘De doctrine van universele liefde dicteert dat iedereen moet liefhebben, ongetwijfeld het meest absurde voorschrift dat ooit in enig cultureel bestand is uitgedacht. Aangezien gerichtheid en begrenzing van haar object ingebouwde hoedanigheden zijn van de liefde, leidt de onbeperkte uitbreiding van haar werkterrein onvermijdelijk tot een evenredige verdunning van haar intensiteit en daardoor van haar effect. (soortgelijke opmerkingen te vinden bij Amos Oz-oe) Ogenschijnlijk zou deze afzwakking van de kwaliteit kunnen worden opgevangen door extra doses dogmatiek en ritueel, ware het niet dat de normale instelling van de mens ten aanzien van zijn medemensen ergens zweeft tussen onverschilligheid en haat, gevoelens waartegen op den duur ook het meest perfecte ritueel het moet afleggen. Daardoor leidt de opgelegde universele liefde tot frustraties die het hele sociale en politieke leven vergiftigen. Universele liefde wordt de dekmantel voor bemoeizucht, machtsmisbruik, geweld en rechtsweigering, waarbij sociale deugden als tolerantie en geestelijke openheid natuurlijk worden verstikt.’


‘Ik ben van mening dat de dood zou moeten worden aangemoedigd, gefaciliteerd en ooit eens beloond zou moeten worden. Het zou als een publieke dienst beschikbaar moeten zijn, zoals een begrafenisondernemer, op afroep voor de armen.
…... zou het simpele feit van de beschikbaarheid ervan een atmosfeer van vrijheid creëren, van opluchting en zelfs van veiligheid wanneer mensen zich er langzaam maar zeker van bewust worden dat er wel degelijk een uitweg is uit alle problemen, en wel zonder dat er vragen gesteld worden.’

dinsdag 14 februari 2017

Blog 53 2017 Vreselijk land

Gisteren was zo’n dag.
“Alles wordt volgebouwd”, zei ze, toen we langs haar ouderlijk huis reden. Ik bracht ‘s avonds mijn nicht naar huis en parkeerde mijn auto even langs de school tegenover haar woning.  “Elke dag weer moet de rotzooi opgeruimd worden die elke dag weer door de leerlingen op straat gegooid wordt” zei mijn nicht. En ja, het was vooral een zwarte school, alhoewel de naam van de school daar niet op leek te duiden. “En de meesten zijn zo brutaal als wat”.
Die zelfde morgen las ik in de Volkskrant een artikel met als strekking de vertrouwenscrisis.  Schrijvers ventileerden nog maar eens de gedachte dat als we in feite weten dat we een gezamenlijk doel nastreven het ook gemakkelijker wordt onze verschillen te overbruggen. Ik kreeg de indruk van het geschrevene dat onder dat gezamenlijke doel een zo prettig mogelijk leven verstaan werd. Schrijvers zijn respectievelijk wetenschappelijk medewerker en neurowetenschapper aan de Radbouduniversiteit! Goed, het zoveelste stuk met deze strekking (ik noem het intussen een terlouwtje) : ‘we moeten verbinding zoeken in plaats van onze wereld versmallen’, stond er. Deze schrijvers keken vooral naar het schaamteloze Me First in navolging van het America First van Donald Trump. De bevolkingstoevloed van de afgelopen halve eeuw werd niet vermeld. Op dat punt geen versmalling, zou je zo op het eerste gezicht zeggen. Eerder vermeerdering net zoals al die vermeerderingen elders. En misschien zou je de gedachte kunnen opwerpen dat de mens toch niet tegen al die vermeerderingen bestand is en zich een weg terug zoekt. Maar dit soort overwegingen zijn zo te zien niet aan schrijvers als deze besteed. Waar het dergelijke stukjes altijd maar weer aan schort is een gedegen analyse en dat komt omdat men maar aan één ding denkt, de goede boodschap overbrengen. Aan dit soort of aan wat meer dreigende boodschappen geen gebrek.

Die middag liet een beminnelijk kunstliefhebber mij een filmpje zien van het ‘Theatre of wrong decisions’, dat hij blijkbaar een warm hart toedroeg. Het genootschap dat hier achter steekt, bestaat ondermeer uit kunstenaars. Het betreffende filmpje heette brEXIT  en al kon ik de stem, die in het Engels een omineuze tekst van Shakespeare voordroeg, niet goed verstaan, toch wist ik uit wat mij van de tekst doordrong dat Brexit een duidelijke wrong decision was. Punt. De begintekst van het filmpje luidde Is there a way out of nationalism. Blijkbaar was de stem van die Britten die voor het Brexit hadden gestemd een stem uit de krochten van het donkere nationalisme. Ja hoor. Waren de Britten voordat in 1973 besloten werd dat Engeland lid moest worden van de EEG soms ook bedorven nationalisten? Hier werd ons wederom angst en dreiging ingepeperd met de goedkope saus van het nationalisme dat overigens niet verder verduidelijkt wordt. Het woord is blijkbaar genoeg. Weer goedkoop theater, leek me. We spraken nog even door over het intellectuele niveau van kunstenaars en  ik stelde de vraag dat wanneer dat intellectuele niveau niet als al te hoog moest gekwalificeerd worden, wat dan de waarde van hun bijdrage zou zijn.

Een uur of drie daarvoor keek ik thuis nog even terug naar de uitzending van Buitenhof van de afgelopen zondag. De interviewster heette Marcia Luyten, een wat streng ogen dame die door sommige scribenten als politiek correct omschreven wordt. In Buitenhof komen in de aanloop naar de verkiezingen achtereenvolgens wat lijsttrekkers langs. Eerst Marianne Thieme van de Partij van de Dieren. Zij mocht praten over Duurzame Ontwikkeling omdat de mens zoals deze nu bezig is, een gevaar is voor de ecosystemen, de grondstofvoorraden en het geluk. Over natuur en ruimte hoorde ik trouwens niets. Wat we ook niet hoorden was het gevaar van het aantal mensen; van de demografische druk dus, hier en elders in de wereld. Haar verhaal behoeft dus nog uitbreiding. Maar je hoort dat eigenlijk nooit. Zou het de heimelijke voorliefde voor de immigratie zijn die mensen als zij er van weerhoudt over de bevolkingsdruk te spreken? Ik luister dan al niet meer naar hen. Ik ga niet met een halve agenda mee, terwijl men doet alsof dat de hele is. Sandra Phlippen van het AD zei haar verder nog dat als zij zo voor economische krimp was, al die armen waar zij zich zo om zegde te bekommeren en die blijkbaar nog steeds massaal toegelaten behoren te worden (u weet wel de westerse waarde van de gastvrijheid - we zijn tenslotte een waardengemeenschap) niet betaald konden gaan worden, want we leven immers in een geldeconomie al zei ze dat er niet bij.
Na Thieme kwam Jan Roos van VNL. Marcia Luyten probeerde hem voortdurend met de PVV te vergelijken. Maar hij trapte er niet in. Verder probeerde ze hem te tackelen door hem bijvoorbeeld voor te houden dat het toelaten van 100.000 (!)  moslims gedurende de laatste vijf jaar misschien toch wel meeviel. Altijd die perverse retorische truc bij de multiculturelen of hoe je hen ook kan noemen. Allemaal varianten op ‘het valt wel mee’, intussen jezelf uit de wind houden en tegelijk proberen de opponent mee te krijgen met dat ‘het valt wel mee’ of hem anders aan te vallen met andere middelen. Hetzelfde verhaal bij de veronderstelde daling van de criminaliteit die vooral allochtoon gerelateerd is, al werd er dat niet bij vermeld. Hoewel Jan Roos zei dat er veel minder aangifte gedaan werd omdat men er geen vertrouwen meer in had, was ook hier Marcia’s boodschap dat het toch wel meeviel. Het ging toch de goeie kant op! Alle criminaliteit van ooit en van nu, foetsie weg. Alle vragen hieromtrent ook foetsie weg. Nee, er is bij mensen zoals Marcia in al die decennia weinig of geen voortschrijdend inzicht te beleven. Het lijkt enkel maar erger te worden. Vreselijk land. Ik zou niet weten van welk gezamenlijk doel we kunnen spreken. Bestaat ook niet. En het zijn veelal dezelfde mensen die misprijzend over Het Volk spreken, maar wel weg zwijmelen bij woorden als samen, gezamenlijkheid, verbinding en eenheid. Alle grond dus voor een stevige scepsis.



zondag 15 januari 2017

Blog 52 Iets over de mens

Iets over de mens. 
Aforisme 1019  2013  (uitgewerkt januari 2017)

Als links plotseling rechts zou heten dan zou rechts zich van de weeromstuit links noemen. De mens lijkt een antagonistisch wezen, zo verknocht lijkt hij aan tegenstellingen. Wat nog wat anders is als tegenspraak; je zou tegenspraak vruchtbaar antagonisme kunnen noemen.
Niet enkel antagonisme bepaalt de toestand van de mensenwereld. In de tegenstrijdigheid zit het antagonistische als het ware opgesloten en het laat de mens zien dat niet alles één kant opgaat en dus ook zo te verstaan is. De paradox vertelt ons mensen iets over het hachelijke van ons bestaan. Aan de volheid kleeft de leegte. In het meer zit het mindere verborgen, in het Hogere het Lagere en omgekeerd. De stilte schreeuwt en het zwijgen is oorverdovend. De eersten worden de laatsten, de verliezers de winnaars. In de liefde verbergt zich de haat en in de vrolijkheid de pijn.

Toch kan de mens niet zonder een hier en een daar, een boven en een beneden, een nu en een straks. En ook de ander is nu eenmaal de ander.
In de ander herkennen wij vagelijk ons niet-ik. De ander is daar, ik ben blijkbaar hier. En de ander is op zijn beurt ook weer een Ik. De ander is in beginsel een vreemde. Een vreemde kan mij bij wijze van spreken naderen maar ook zich weer van mij verwijderen. Dat kan ik bij mijzelf niet behalve misschien in gedachten. Een vreemde kan mij bedreigen of misschien ook niet. Of andersom. Wij weten niet alles op voorhand. Met die ander moeten wij ons echter zien te verzoenen, wat altijd slechts tijdelijk en onder bepaalde voorwaarden lukt. En ook niet met iedereen. Voorwaarden trouwens waarvan de mens zich niet altijd bewust is. Maar de mens hoeft zich niet ergens van bewust te zijn om er door bepaald te zijn. In die zin voltrekt zich het een en ander ook buiten hem om.
Alles is voorwaardelijk wat de mens aangaat. Hier geldt dus, of hij dit nu vergeten of negeren wil of niet. Alles heeft dus ook consequenties al zal de mens ook die niet altijd willen of kunnen beseffen. Zeker zodra hij betrokken raakt op zijn handeling of opvatting. Blindheid past bij het menselijk handelen. Wie kan handelen en tegelijkertijd dat handelen betwijfelen?

Melancholisch als de mens ten diepste is, zal vroeg of laat de sluimerende kracht van het onvervulde de mens weer rusteloos maken. Van stabiele verzoening zal dus ook om die reden al nooit sprake zijn. Noch met zichzelf noch met een ander. En nog minder met heel veel anderen, al helemaal omdat zoiets onvoorstelbaar is. Met heel veel anderen wordt verzoening bij wijze van spreken iets heel abstracts, wat niet wegneemt dat mensen met elkaar een modus moeten zien te vinden om ‘met elkaar’ in het aardse te verblijven. Maar mensen verblijven niet op de aarde maar binnen het omheinde dat zij zich verschaffen zodat zij zich niet in het oneindige hoeven te verliezen. Want in het oneindige kan de mens niet leven. Geen enkel mens.

Instabiliteit is een kenmerk van de mens. Niets grijpt precies op elkaar in wat de mensen betreft. De wereld van de mens is fundamenteel onevenwichtig; er is altijd een soort ten koste van. Het broeit altijd bij de mens, daar binnen in hem. Opstand is één van de manieren waarop de mens, hij of zij, probeert een situatie te herstellen of naar zijn hand te zetten. Niets is immers oneindig rek- en plooibaar. Trouwens ook niet na een opstand alhoewel een opstand dat wel lijkt te suggereren. De mogelijkheden lijken dan eindeloos.
Los daarvan zijn de menselijke posities, sentimenten, voorstellingen en gevoelens altijd ongelijk en onevenredig verdeeld. Alles wat de mens trouwens betreft is asymmetrisch verdeeld en het gaat er dus om die asymmetrie binnen de perken te houden zodat mensen haar kunnen accepteren. Daar ligt ook de opdracht van de politiek.

Rusteloos als de mens is met het oog op zijn vermoede tekort moet hij altijd op pad maar hij verandert daarmee de situatie zoals die er op dat moment was, al kun je dat zo eigenlijk niet zeggen omdat situaties voortdurend veranderen als gevolg van het handelen van de mens. In die zin is de wereld een en al beweging.
Er zijn mensen die er het liefst een algemeen geldende tekortadministratie op na zouden willen houden, maar dat is niet alleen onmogelijk maar ook onwenselijk omdat dat de totalitaire heersersneigingen van die mensen zou aanwakkeren en het menselijk leven tot een boekhoudkundig en onderworpen iets zou maken. En bovenal is het onmogelijk alle denkbare verschillen tussen mensen blijvend te verevenen. De mens moet het altijd zien te rooien met het voorlopige en het gebrekkige. Maar hoe, dat blijft altijd de vraag. En ook daar ligt een opdracht van de politiek.

De hedendaagse turbulente samenlevingen versterken om allerlei redenen die onderhuidse onrust. De omloopsnelheid van zo’n beetje alles is groter geworden, zoveel groter dat zelfs de mensen dat niet meer aankunnen al lijken sommigen ook dat, oppervlakkig gezien, niet te merken. Ook hier merkt de ene mens pas iets wanneer het voor de ander al te laat is. Mensen, in het kielzog van hun opvattingen en handelen meegezogen, zijn zich niet altijd bewust van de eigen dynamiek van dat handelen. Soms kun je zo iets alleen indirect merken. Bijvoorbeeld aan het feit dat mensen het belang van hun handelen blijven herhalen. Om dat weer echter te merken zul je afstand moeten nemen. Dat is echter niet een ieder gegeven, betrokken als de mensen zich nu eenmaal voelen bij het leven dat aan hen voorbijtrekt en hen als het ware opslokt.

Wij mensen liggen permanent op de loer al zijn er momenten in de menselijke beschavingen waarop de mens meent het hier helemaal zonder te kunnen. Dit komt die beschavingen duur te staan. Harmonieuze uniformiteit met willekeurig wie, is een sprookje. Zwakte, sterkte, nadering, afzondering, afwijzing of acceptatie, herkenning, herinnering en hunkering zijn eerder kenmerken van de menselijke soort. De inwerking van al die eigenschappen op elkaar geeft spanningen, al verkiezen sommigen om ook die te negeren. Elke tijd kent een eigen en selectieve manier van winkelen in het rijke palet van de menselijke aard. Dan viert agressie hoogtij, dan weer liefde. Dan weer toenadering, dan weer afzondering. Nu egoïsme, straks altruïsme. Een samenleving is ook de arena waarin al deze eigenschappen met elkaar strijd leveren.
Echter, alle eigenschappen wonen op wel de een of andere manier bij elkaar in.
Maar al die aan de mensen toegedichte eigenschappen vermommen zich als voorstellingen die de mens van zichzelf en de ander heeft of koestert. Ook ontkenning hoort bij die eigenschappen. Maar niet vergeten moet worden dat eigenschappen en voorstellingen vaak een verborgen leven in de mens leiden. Hij zou ook niet kunnen leven als hij zich voortdurend van zijn eigen wel en wee bewust was. Vergeten lijkt dus ook een eigenschap van de mens te zijn.

Ontkenning is een veel gebruikt maar hachelijk verdedigingsmechanisme. Mensen maken graag iets mooier dan het is of ontkennen juist het minder mooie. Ons lijfsbehoud staat echter voorop. Slechts schoorvoetend geeft de mens dit toe. Uit publicitaire overwegingen kweken we altruïstische illusies, soms ook omdat we anders bang zijn dat we elkaar voortdurend naar het leven zullen staan. De lach is het baken van deze ingekuilde agressie. De lach tegenwoordig is vooral een bevroren lach, geprofessionaliseerd en nauwelijks nog een lach die spontaan van binnenuit opwelt en die zich herkend en ingebed weet in de warmte van het elkaar verstaan binnen een als natuurlijk ervaren omgeving. Er bestaan trouwens nog slechts van elkaar onderscheiden antagonstische omgevingen en die lijken in aantal toe te nemen. Ondanks een toegenomen regelmacht, de drang tot centralisering en alle mooie woorden. En ook dat is een soort paradox.
Mensen herkennen bij elkaar voornamelijk nog uiterlijkheden. Het diepere is verdacht geworden doordat het besmet is geraakt of naar de oppervlakte is gedreven. Toch bestaat er nog wel zoiets als toegenegenheid. Echter, zolang de mens blijft geloven in een onvoorwaardelijke en onbegrensde liefde, of in het onbegrensde pur sang, zal zijn handelen een of andere vorm van geweld produceren omdat hij zich nu eenmaal te weinig rekenschap zal geven van de voorwaardelijkheid van dat handelen. En dat produceert weer onrecht maar doorgaans niet perse bij diegenen of bij datgene aan wie of aan wat een mens nu direct recht wilde doen; er is dus altijd een andere ander, er is altijd het andere andere. Een mens ziet al snel iets over het hoofd.

Gebeurtenissen zijn chronologisch verankert, al buitelen in de geschiedenis van de mensen de chronologieën over elkaar heen. Ook toegebracht onrecht is chronologisch te verstaan al zal een mens wel eens proberen alles aan elkaar ‘gelijk te maken’, alles bij wijze van spreken op hetzelfde plan te brengen, en zo bijvoorbeeld ‘het moment’ van het ontstaan van iets, een onrecht bijvoorbeeld, uit te wissen. Ook om die reden verzint de mens argumenten; argumenten vertonen in handen van de mens de neiging alles aan elkaar gelijk te schakelen; uitwisseling noemt de mens dit, verzot als deze zegt te zijn op de dialoog. Alsof alles aan elkaar gelijkwaardig of weegbaar en er een of andere geheimzinnige uitruil mogelijk is. Maar hoe en wanneer iets nu begint, dat verliest hij het liefst uit het oog. Toch is ook de tijd onderdeel van de herinnering van de mens. Bij hem of haar is er eerst dit, vervolgens dat. In die verwarrende chronologie – van wie en van wat – moet de mens zich een weg zien te vinden. De overtuigde mens heeft het hier minder zwaar. Overtuiging echter, eerder nog dan aarzeling, bepaalt in hoge mate de loop der gebeurtenissen. Maar dat pleit de overtuigden nog niet vrij.